Niet voor iedereen is de overstap van de jeugd naar het volwassen leven even gemakkelijk. Met name voor kinderen in de jeugdzorg, de jeugd-ggz en kinderen met een licht verstandelijke beperking kan dit een opgave zijn. Tot 18 jaar vallen zij onder de jeugdwet, maar zodra zij 18 jaar worden, komen zij onder een ander regime. Als gevolg hiervan vallen deze jongvolwassenen vaak tussen wal en schip.

Het is voor alle jongeren belangrijk dat zij er tijdens hun jeugd niet alleen voor komen te staan, vertelt Peter Dijkshoorn, bestuurder van GGZ Nederland, de brancheorganisatie voor de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg in Nederland. Mensen in de adolescentiefase, tussen 15 en 23 jaar, hebben meer dan gemiddeld moeite om zaken in het leven op orde te houden, en dat vraagt nogal eens om een beetje ondersteuning. “Voor jongeren met problemen of die te maken hebben met kwetsbaarheden geldt dit nog sterker; zij zijn erg gebaat bij extra ondersteuning.”

Eigen risico bij jongeren

“In 2017 worden ruim tweehonderdduizend jongeren 18 jaar. Voor de meesten betekent dit feest, een moment om naar uit te kijken”, zegt Hans Spigt, voorzitter van Jeugdzorg Nederland. Voor een kleine 10 procent is dit echter anders, vervolgt hij. Voor hen betekent de overgang naar volwassenheid een stap in de wereld vol onzekerheden.

In Nederland is het zo geregeld dat zorg voor jongeren tot 18 jaar betaald wordt door de gemeenten. Na hun achttiende levensjaar verandert dat. De ggz voor cliënten boven 18 jaar wordt betaald door de zorgverzekering en niet langer door de gemeenten. Dit kan ervoor zorgen dat de overgang van de jeugd-ggz naar de volwassen ggz gepaard gaat met twee problemen, stelt Dijkshoorn.

Ten eerste hebben kwetsbare jongeren vaak hun verzekering niet op orde, ten tweede heeft elke verzekering een eigen risico. “Als je 18 jaar bent, en kwetsbaar en alleen, dan heb je vaak geen hoog inkomen. Niet alle jongeren kunnen dit eigen risico dan ook betalen.” Het gevaar van deze twee problemen, zo stelt Dijkshoorn, is dat jongeren de hulp die zij nodig hebben niet kunnen betalen.

Dit zijn volgens hem met name de jongeren die van school zijn gegaan en kampen met problemen thuis. Zij missen de sturing die nodig is om hun leven weer op de rails te krijgen, waardoor zij een opleiding kunnen oppakken, aan het werk kunnen gaan en kunnen leren budgetteren.

Maatschappelijke ondersteuning

Maatschappelijke ondersteuning valt nog wel onder de gemeenten, maar wordt vanaf 18 jaar heel anders georganiseerd. Jeugdzorg stopt als een jongere 18 jaar wordt, hoewel er soms mogelijkheden tot verlenging zijn. In principe moet de jongere op zijn/haar achttiende op eigen benen staan óf een ander type zorg krijgen.

Die aansluiting is echter vaak problematisch, stelt Spigt. Dit kan ervoor zorgen dat deze jongere aan het begin van de volwassenheid al met 1-0 achter staat. Dit zie je volgens hem ook terug in de cijfers: “Tachtig procent van alle Wajongers en 40 procent van de mensen die bijstand ontvangen, waren eerder bij jeugdzorg bekend.”

Dijkshoorn en Spigt zijn beiden van mening dat er een waterdicht plan moet komen om de groep jongeren die tussen wal en schip dreigt te vallen op te vangen. Spigt voegt hieraan toe dat hier al mee aan de slag moet worden gegaan vóór het achttiende levensjaar. Hij vindt dat voor elke jongere op zijn of haar zeventiende jaar een persoonlijk ontwikkelplan moet worden gemaakt, dat de jongere voorbereidt op het volwassen bestaan. “Hierbij gaat het om een routeplan voor school, werk, wonen en als het nodig is wat extra (jeugd) hulp.”

Binnen dit plan is samenwerking essentieel, waarbij iedere schakel een eigen rol speelt. Allereerst zijn er de jongeren en hun ouders die hun rol moeten nemen of geholpen moeten worden die rol te kunnen nemen, legt Dijkshoorn uit. In de tweede plaats heb je de zorgaanbieders, zij moeten ervoor zorgen dat de jongeren zo goed mogelijk kunnen functioneren.

Tijdelijke zorg of duurzame begeleiding

Dit kan door tijdelijke zorg zijn, maar ook door duurzame begeleiding. Hierbij draait het om het in stand houden van de relatie. De derde schakel zijn de gemeenten. Zij faciliteren de zorgverleners, financieel of op een andere manier, zoals het zoeken naar adequate scholing en huisvesting voor de jongeren. Spigt benadrukt dat het hierbij moet gaan om structurele inzet ten behoeve van deze jongeren, zodat gewerkt wordt aan ‘warme overdracht’.

Daarnaast is het belangrijk dat de jongeren en hun directe omgeving betrokken worden bij het opstellen van het ondersteuningsplan. De hulp werkt namelijk het beste als de hulpverlening de doelen nastreeft die jongeren en eventueel hun ouders zelf hebben opgesteld.

Spigt: “Dat betekent met de jongere het gesprek aangaan over de toekomst en begeleiding bij de uitwerking van dat plan.”

E-health en digitale hulpmiddelen

Voor bepaalde jongeren is het vinden van de juiste steun niet zo eenvoudig, weet Dijkshoorn. Voor sommigen kan het erg spannend zijn om hulp te zoeken, bijvoorbeeld wanneer zij zich voor hun problematiek schamen. Daarnaast kan het voor jongeren die niet meer naar school gaan lastig zijn om in contact te komen met hulpverleners of een luisterend oor. Voor hen kunnen online zorghulpmiddelen, zoals apps en websites, een aardige rol spelen, stelt Dijkshoorn. Doordat zij op een goede thematische website bijvoorbeeld in contact kunnen komen met andere jongeren of hulpverleners, kan de stap om hulp te zoeken verkleind worden.

De rol die e-health inneemt in de jeugdhulp is nog pril. Dijkshoorn legt uit dat nu vooral nog gekeken wordt naar het omzetten van analoog naar digitaal, maar dat digitaal ook andere, nog onbekende, mogelijkheden biedt. Er moet dus nog gekeken worden wat allemaal mogelijk is.

Hij vindt dat de mening van jongeren hier een belangrijke rol bij moet spelen: wat voor apparaten gebruiken zij, hoe ervaren zij apps, hoe gebruiken zij internet en wat vinden zij wel en niet aantrekkelijk. “Stel dat iemand drie keer per dag medicijnen moet innemen en daar een horloge met app voor heeft dat gaat piepen wanneer het tijd is, kan dat fijn zijn. Dit geldt echter niet voor iedereen; sommige jongeren zullen zich juist schamen.”

Jeugd bouwt gelukkig leven op

Dijkshoorn vindt het belangrijk om te benoemen dat het met de Nederlandse jeugd eigenlijk erg goed gaat. Zo gaat in Nederland 85 procent van de jongeren met plezier naar school. De uitdaging voor de samenleving is nu om die andere 15 procent ook met plezier naar school te laten gaan. Hulpverleners kunnen hier een rol in spelen door kinderen te helpen te zijn wie ze zijn. “De samenleving en de hele jeugdhulp moeten inzetten op het ondersteunen van ouders en kinderen, zodat de jongeren leren omgaan met hun kwetsbaarheden. Hoe beter ons dat lukt, hoe beter deze jongeren in staat zijn om tevreden volwassen te worden en een gelukkig leven op te bouwen.”