Hartfalen is een afwijking aan het hart die er toe leidt dat het hart onvoldoende bloed kan rondpompen naar weefsels en organen. De oorzaken zijn divers. De meest voorkomende zijn vernauwingen van de kransslagvaten waardoor de bloedvoorziening tekortschiet of een hartinfarct is ontstaan.

“Er zijn meer dan honderd factoren die tot hartfalen kunnen leiden”, zegt cardioloog Adriaan Voors, hoogleraar aan het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Er kan bijvoorbeeld een virus ‘op het hart’ zijn geslagen, een patiënt kan chemotherapie hebben gehad die schadelijk is voor het hart, hartfalen kan erfelijk zijn of er kan een algemene spierziekte zijn waar ook het hart onder te lijden heeft. Ook een hartritmestoornis waardoor het hart lange tijd sneller klopt kan leiden tot hartfalen. Een van de belangrijkste parameters is de ejectiefractie: een percentage dat uitdrukt hoeveel bloed er bij het samentrekken van de hartspier uit de linker- of de rechterkamer wordt geperst. Dat is een goede indicatie voor de spierkracht van het hart.

Uitdaging

De ejectiefractie kan op verschillende manieren worden gemeten. Standaard gebeurt dat via een echo van het hart, maar een MRI-meting of andere hartscan is ook mogelijk. Gezonde mensen hebben een ejectiefractie van 60 of 70 procent; onder de 40 procent is sprake van een belangrijke achteruitgang. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand een hartinfarct heeft gehad waardoor een deel van de hartspier is afgestorven. Het hart kan dan met één pomp bijvoorbeeld nog maar 30 procent van zijn volume uitpompen.

“Alles onder de 40 procent noemen we hartfalen met een verminderde ejectiefractie”, vertelt Voors. Daar zijn inmiddels therapieën en geneesmiddelen voor ontwikkeld, maar ook instrumenten als een speciale pacemaker, die kunnen leiden tot minder klachten en een betere overleving. Als de wanden van de linkerhartkamer niet meer synchroon samentrekken, waardoor het hart pompkracht verliest, kan een pacemaker met meerdere draden zorgen dat de wanden van de linkerkamer weer tegelijk samentrekken. Lastiger te behandelen is hartfalen met behouden ejectiefractie.

De symptomen en klachten zijn weliswaar dezelfde als bij verminderde ejectiefractie, maar het volume dat door het hart wordt uitgepompt ligt boven de 40 procent. “Dit zie je vooral bij mensen met een hoge bloeddruk; met name oudere patiënten en vaker vrouwen dan mannen. Hier ligt een uitdaging, want we hebben hier veel minder goede behandelingsmogelijkheden voor.”

Eiwit meten

Vaststellen van hartfalen gaat is niet altijd eenvoudig. Lastig is dat de klachten waarmee patiënten zich presenteren soms niet specifiek zijn voor hartfalen: een minder goede conditie, sneller moe. Dat kan ook op andere aandoeningen wijzen. Kortademigheid is al specifieker, maar ook dan bestaan er meerdere diagnosemogelijkheden. Bij twijfel volgt lichamelijk onderzoek. “Soms vinden we tekenen van hartfalen, als er bijvoorbeeld vocht achter de longen zit. Verder kun je bekijken hoe de ejectiefractie is.”

Bij de groep met behouden ejectiefractie is moeilijker vast te stellen of het om hartfalen gaat. Een belangrijk hulpmiddel is dan het meten van de concentratie van een eiwit in het bloed. Als het hart onder druk of onder rek staat, geeft het hart het eiwit BNP of een afgeleide daarvan (NT-proBNP) af aan de bloedstroom. Een huisarts die twijfelt – ligt het nu aan de longen of aan het hart? – kan een bloedtest doen met het genoemde eiwit. Is het eiwit laag, dan is de kans dat er sprake is van hartfalen minder dan 1 procent.

“Dan kan de arts de patiënt doorsturen naar de longarts.” Is het eiwitpercentage hoog, dan is de diagnose hartfalen aannemelijker. Met de combinatie van componenten – klachten, symptomen, eiwit en een echo van het hart – moeten huisartsen en specialisten een heel eind kunnen komen, aldus Voors. Dit kan zorgen dat de patiënt tijdig de juiste behandeling krijgt.

Toegenomen levensverwachting

Nederland telt ruim 200.000 patiënten met hartfalen. De kosten van de zorg voor deze patiënten bedragen ongeveer 400 miljoen euro per jaar (circa 1 procent van de totale kosten voor de gezondheidszorg in Nederland). Daarnaast hebben patiënten met hartfalen bijna altijd diverse andere aandoeningen. Veelvoorkomende bijkomende aandoeningen zijn een hoge bloeddruk, suikerziekte, longaandoeningen, gewrichtsklachten, schildklierziekten, Alzheimer, depressies en beroertes.

Vanaf de jaren tachtig is er veel vooruitgang geboekt bij de behandeling van patiënten met hartfalen. Uit onderzoek is gebleken dat de levensverwachting in de Westerse wereld tussen 1970 en 2000 met zes jaar is toegenomen. Deze vooruitgang wordt voor het grootste deel veroorzaakt door een verbetering van de levensverwachting van patiënten met hart- en vaatziekten, waaronder hartfalen.

De patiënt met harten vaatziekten leeft nu bijna vier jaar langer, terwijl de levensverwachting van een patiënt met kanker tussen 1970 en 2000 slechts met drie maanden is toegenomen. Vooral patiënten met verminderde ejectiefractie kunnen goed worden behandeld, waardoor een betere toekomst tot de mogelijkheden behoort. “We zijn ook steeds beter in het voorkomen van hartfalen door bloeddruk en hartinfarcten beter en sneller te behandelen.”

Chronische ziekte

Mensen leven langer met een hartziekte, maar vaak met een duurzaam verzwakt hart. Hartfalen is een chronische ziekte, vertelt Yigal Pinto, hoogleraar moleculaire biologie van hartfalen aan de geneeskundefaculteit van de Universiteit van Amsterdam (AMC-UvA). Als het hart pompkracht heeft verloren, is het heel moeilijk die terug te winnen. De behandeling is er meestal op gericht het proces van verzwakking te vertragen of een halt toe te roepen.

Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt het hart van iemand met hartfalen weer even krachtig als vanouds. De meeste mensen met hartfalen blijven de rest van hun leven onder medische behandeling. Er zijn enkele zeldzamere vormen van hartfalen waarbij therapieën van eind vorige eeuw niet goed werken. “Die vormen noemen we therapieresistent. Ze komen gelukkig niet veel voor, maar er is soms bitter weinig tegen te doen en mensen hebben daarmee vaak al op jong leeftijd een harttransplantatie nodig om te overleven.”

Er wordt gezocht naar nieuwe behandelingen en andere vormen van therapie voor deze specifieke groep. Pinto pleit voor intensieve begeleiding zodat tijdig nieuwe middelen en instrumenten kunnen worden ingezet die de kwaliteit van leven kunnen verbeteren en de levensverwachting kunnen verlengen. Ook de digitale uitwisseling van patiëntgegevens (lichamelijke en mentale klachten, bloeddruk, ecg en bloedwaarden) speelt een belangrijke rol bij de begeleiding.

Ken de genen

Het delen van deze gegevens, maar ook van kennis en inzicht, maakt het mogelijk om bij te sturen wanneer dat wenselijk of noodzakelijk is. Volgens Pinto biedt de opkomst van genetica nieuwe kansen voor het onderzoek naar hartfalen. “Voorheen richtten onderzoekers zich vooral op de hartpomp die niet goed meer knijpt, maar in de hartspier spelen zich allerlei moleculaire veranderingen af waar we met name in de kliniek nog onvoldoende zicht op hebben. Die proberen we te achterhalen.”

Het is belangrijk om te weten welke factoren in de rest van het DNA mede bepalen of de mutaties leiden tot een hartziekte. Wie die mechanismen kent, kan een betere voorspelling doen en de dragers selectief behandelen met bijvoorbeeld een implanteerbare defibrillator, zo stelt hij. “De risicogroep overlijdt namelijk meestal aan een ritmestoornis. Als je de genen kent die de kans op hartfalen en hartritmestoornissen vergroten, dan kun je mensen die risico lopen, in een vroeg stadium opsporen en – indien mogelijk – preventief behandelen.”