Voor patiënten en (thuiswonende) ouderen is voldoende en goede voeding essentieel. Wesley Visser (diëtist in het Erasmus MC) en Jeannette Brookman (diëtist in eigen praktijk en in revalidatiecentrum) vertellen over diëtetiek bij patiënten, ondervoeding en aanvullende voeding.

Hoe zijn voeding en medisch welzijn verbonden?

Visser: “Je kunt voeding niet los zien van medisch welzijn. Patiënten moeten voor een ziekenhuisopname in zo goed mogelijke voedingstoestand verkeren, voor een positief herstel en een kleinere kans op complicaties. Voor sommige ziektes is voeding de medische oplossing, zoals allergieën of diabetes type 2, ontstaan door overgewicht. Ook kunnen ziektes voorkomen worden door goede preventie rondom voeding.”

Brookman: “Voeding is onlosmakelijk verbonden met gezondheid en ziekte. Ook na ziekenhuisopnames mag de aandacht niet verslappen. Voeding wordt soms over één kam geschoren: wat is goed voor iedereen? Dat bestaat niet: verschillende mensen en aandoeningen hebben andere voeding nodig.”

Hoe staat voeding binnen ‘transmurale zorg’?

Visser: “Het staat binnen transmurale zorg nog niet genoeg op de kaart. Goede overdracht tussen diëtisten en diëtist en (huis)arts is van groot belang. Wij adviseren patiënten na ziekenhuisopname een diëtist te bezoeken en sturen de huisarts de overdracht. Vóór een operatie geven artsen nog weinig voorlichting. Zij roepen: ‘goed eten de aankomende tijd!’, maar de praktische invulling wordt niet behandeld. Artsen zeggen zelf ook: hun kennis is beperkt en er is weinig tijd om aan voeding te besteden. Daar ligt dus de rol van de diëtist.”

Brookman:“Bij voedingsgerelateerde vragen of aandoeningen kan men mij direct benaderen of vanuit huisarts of ziekenhuis worden doorverwezen. Dat kan beter. Huisartsen weten niet altijd hoe belangrijk het is ons op tijd in te schakelen. Elke dag telt bij ondervoeding. Diëtisten kunnen ook zelf hun zichtbaarheid verbeteren. Mantelzorgers en thuiszorgorganisaties schakelen alleen de huisarts in, terwijl een diëtist veel meer tijd heeft en goede praktische adviezen geeft.”

Hoe wordt ondervoeding vastgesteld?

Visser: “In het ziekenhuis screenen we patiënten op het risico op ondervoeding, maar misschien wel belangrijker is het type ondervoeding. De oorzaak van ondervoeding verschilt, en die bepaalt de oplossing. De screening is overigens geen heilige graal: gewicht zegt niets over lichaamssamenstelling. We beoordelen daarom ook functionaliteit en spreken met arts, verpleging en voedingsassistent.”

Brookman: “Ik meet spierkracht, spiermassa, vet- en vetvrije massa bij vermoedens van ondervoeding. Daarnaast bekijk ik sociale en psychische componenten: koken mensen, zijn ze eenzaam, hebben ze moeite met kauwen? Bij ouderen liggen botbreuken op de loer wanneer spiermassa vermindert. Ik meet via protocollen maar luister ook goed naar wat mensen tussen de regels door zeggen.”

Wat zet je dan in?

Visser: “Veel eiwitrijke producten. Daarnaast drinkvoeding, om bij misselijkheid of verminderde eetlust toch volwaardig te voeden en zo nodig sondevoeding. We kijken ook naar nieuwe mogelijkheden om het verlies van spiermassa te beperken. Zo is er HMB: een stof die spiermassaverlies lijkt te beperken. De ervaringen hiermee en resultaten uit onderzoek zien er tot nu toe goed uit.”

Brookman: “Al vroeg aanvullende eiwitrijke voeding. Liefst in combinatie met fysiotherapie, want beweging is hierbij heel belangrijk. Daarna flesjes verrijkte voeding, of poeders met daarin HMB. HMB zonder extra energie kan ook, voor mensen met overgewicht die spiermassa moeten vergroten. Mijn ervaring door veel metingen is dat met weinig beweging HMB de spiermassa toch redelijk op peil kan houden.”