Sociale verbanden in wijken worden zowel op bestuurs- als op particulier niveau steeds belangrijker. Elkaar opzoeken, in de gaten houden en helpen waar nodig, kan een enorme steun in de rug zijn voor mensen die op zichzelf zijn aangewezen.

De maatschappij is geïndividualiseerd

Letterlijk over de drempel stappen bij de buren kan echter lastig zijn in een verzorgingsstaat als Nederland. We leven in een maatschappij die in de afgelopen decennia zodanig geïndividualiseerd is dat privacy soms boven medemenselijkheid lijkt te staan.

“We moeten er weer aan wennen dat kwetsbare groepen zichtbaar zijn in onze straten”, stelt Anja Machielse, bijzonder hoogleraar ‘Empowerment van Kwetsbare Ouderen’ aan de Universiteit voor Humanistiek.

Nederlanders, gesteld op hun vrijheid, willen vooral niet te veel poespas, en privacy staat voor hen hoog in het vaandel. Dat betekent dus ook zo min mogelijk inmenging in andermans privéleven. Immers, wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

De laatste jaren heeft zich dan ook een – voor veel Nederlanders – lastige verandering aangediend. Ten tijde van de klassieke verzorgingsstaat van de afgelopen decennia zijn kwetsbare groepen, zoals ouderen en mensen met een fysieke of verstandelijke beperking, veelal uit de wijken weggehaald.

Zij werden gehuisvest in aparte instellingen waar de juiste zorg voor hen in huis was. Ze woonden in groepen bij elkaar en hadden weinig meer te maken met de mensen in de buitenwereld. De zogenaamde vermaatschappelijking van de zorg heeft ervoor gezorgd dat hier weer een verschuiving plaatsvindt van instellingen naar de wijken.

Ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking moeten steeds vaker langer thuis wonen en krijgen zoveel mogelijk ambulante zorg. “Wat we eerst zijn afgeleerd, moeten we nu weer aanleren”, meent Machielse daarom.

Nederlanders komen weer in aanraking met buren in hun straat die soms niet goed mee kunnen doen met het ‘gewone’ leven. Daar moeten ze mee leren omgaan en opnieuw uitvinden hoe volwaardige integratie tot stand gebracht kan worden.

Hoe gaat de voordeur open?

Dat brengt de nodige inspanningen en vragen met zich mee. Waar liggen de grenzen van het privéleven? Wanneer is een beetje aandacht en ondersteuning een reguliere burendienst en wanneer wordt het echt hulpverlening? En wanneer moet geconcludeerd worden dat het de particuliere pet te boven gaat en er professionele hulp ingeschakeld moet worden?

Dat vraagt om zorgvuldige afweging en besluitvorming met de juiste verantwoordelijkheid op de juiste plek. In een goed functionerende wijk weten bewoners de weg naar de professionele wereld goed te vinden en vice versa.

Bovendien moeten taakverdelingen en verantwoordelijkheden duidelijk zichtbaar zijn, vindt Herma Ooms, vanuit het Nederlands Jeugdinstituut betrokken bij het programma ‘Integraal werken in de wijk’. Enerzijds zijn er namelijk de inwoners, van jong tot oud, van gezinnen tot alleenstaanden.

Hoe signaleer je een probleem

Anderzijds zijn er de professionals, zoals jeugd- of maatschappelijk werkers of wijkverpleegkundigen, maar ook leerkrachten, politie of huisartsen die een signalerende, sociale functie kunnen – of zelfs moeten – vervullen.

“Hoe kom je, letterlijk, achter de voordeuren? En als dit gelukt is, hoe zorg je er als gemeente voor dat bewoners weten tot welke instanties zij zich kunnen wenden wanneer ze een probleem signaleren?” Veel probleemgevallen, zoals een moeilijke thuissituatie door een scheiding of eenzaamheid onder ouderen, kennen hun entree tot professionele hulpverlening via een huisarts of leerkracht die een probleem signaleert en aan de bel trekt.

Het kan ook zijn dat een hulpbehoevende zelf hulp aanvraagt. Wanneer dit gebeurt, is het belangrijk dat de zorgvrager te maken heeft met zo min mogelijk verschillende contactpersonen en instanties. Laagdrempeligheid, toegankelijkheid, vindbaarheid en zichtbaarheid, zowel in fysieke zin als op heldere websites, is cruciaal voor mensen die de stap hebben durven nemen hulp te zoeken of voor mensen die een situatie signaleren. Wanneer ze weten bij welke contactpersoon ze moeten zijn om de juiste hulp te krijgen, kan sneller actie worden ondernomen.

“Maak eens een praatje”

Hoewel dus nog geen vanzelfsprekend-heid, kan die inmenging in de vorm van bureninteractie – met name bij de oudere generatie – cruciaal zijn, benadrukt Machielse. Ouderen zijn het van oudsher gewend dat alles vanuit de verzorgingsstaat voor hen geregeld werd, stelt ze.

Dat ze nu ineens meer voor zichzelf moeten zorgen en wanneer dit niet mogelijk is, zelf zorg moeten zoeken, is voor hen een hele veranderingsslag. Hun sociale kwetsbaarheid groeit, en het is voor hen niet vanzelfsprekend om hulp te vragen aan iemand die ze niet persoonlijk kennen; zeker niet als ze willen praten over eenzaamheid.

“Dat is een probleem dat je zelf moet oplossen, vinden veel ouderen. Waarom zou je daar een ander mee lastigvallen?” Het zou voor hen al een stuk gemakkelijker zijn om hulp te vragen als ze af en toe eens een praatje zouden kunnen maken met hun buren, vervolgt Machielse.

geven namelijk vaak aan allang blij te zijn als ze weten wie er bij hen in de buurt wonen en gegroet en gezien worden. Het zijn de kleine dingen die het verschil maken.

Driehoeksverhouding tussen buurt, professionals en gemeente

‘De wijk’ vormt dan ook de oren en ogen van professionals en bestuurders. De stem van bewoners moet optimaal ingezet worden om zicht te krijgen op de dynamiek en de aandachtspunten in een buurt, vindt Ooms.

De bewoners worden daarom niet voor niets ‘het vertrekpunt’ genoemd van de driehoeksverhouding tussen buurt, professionals en gemeente. Hoe kan een wijkverpleegkundige immers zien dat die ene dementerende dame midden in de nacht nog rondzwerft? Hoe weet een leerkracht dat een leerling elke middag in de achtertuin zit te blowen?

“Oplossingsgericht denken en handelen valt of staat bij het bijeen brengen van verschillende perspectieven.” De gemeente treedt hierbij aanvullend op om alle partijen te faciliteren met aansluitend beleid.

Sociale cohesie neemt toe

Die samenwerkingsverbanden en besluitvorming op een zo lokaal mogelijk niveau zijn belangrijk, zegt Ooms. Ze constateert dat de sociale cohesie in buurten wel degelijk aan het toenemen is en dat doelen en prioriteiten per wijk kunnen verschillen in een dorp of stad.

Dat kan gaan om inkomensverschillen, leeftijdsopbouw en locatie van de wijk, zoals in het centrum of aan de rand van een stad. Het is daarom zaak dat gemeenten met bewonersvertegenwoordigers om de tafel gaan om ambities en maatschappelijke doelen af te stemmen op de algemene doelstellingen van de gemeente.

Regionale wetgeving letterlijk vertalen naar de man in de straat, dus. “In samenspraak met burgers en professionals kan bekeken worden wat voor sportprogramma’s het efficiëntst werken, hoe schooluitval het best kan worden tegengegaan of op welke manieren de veiligheid in de openbare ruimte kan worden vergroot.”

Alle neuzen dezelfde kant op

De keerzijde van al die verschillende perspectieven doet zich voor in de uitdaging om alle belangen en ideeën met elkaar te verenigen, vervolgt Ooms. Er zijn nu eenmaal ontzettend veel partijen gemoeid met het sociaal domein, die ieder hun eigen agenda hebben.

Voordat instanties en gemeenten inhoudelijk met elkaar in gesprek gaan, is het daarom zaak om te bepalen wie de regie heeft, wie eindbeslissingen neemt, welke verantwoordelijkheden bij welke partijen liggen en wat voor verantwoordelijkheden dit met zich meebrengt.

Omdat veel probleemsituaties meerdere oorzaken hebben die het vakgebied van meerdere instanties raken, is het de kunst om op alle niveaus, overkoepelend, in de gaten te houden wat er gebeurt. Ooms: “Een probleem staat zelden op zichzelf.

Fysieke klachten hebben een achterliggende reden

Denk aan een gezin met problematische of risicovolle schulden. Dit veroorzaakt vaak stress, wat vervolgens weer invloed kan hebben op allerlei aspecten. Soms wordt het afgereageerd op de kinderen, verbaal of fysiek.

Ook kunnen fysieke klachten ontstaan met in het uiterste geval baanverlies tot gevolg, waarna als uiterste redmiddel naar de fles wordt gegrepen.” Bij het behandelen van vraagstukken is het daarom belangrijk om zo nu en dan samen even pas op de plaats te maken, met elkaar te evalueren en te bekijken of het juiste doel nog wel in zicht is en of taken nog wel worden uitgevoerd zoals ze in eerste instantie waren bedacht.

Sociale interactie in een wijk

Tot slot weet Ooms nog een mooi voorbeeld te noemen van een bewonersinitiatief dat sociale interactie in een wijk tot stand heeft gebracht. Het initiatief, opgezet in het Vonderkwartier in Eindhoven, had helaas een trieste aanleiding: een oudere dame lag een aantal weken dood in haar woning.

Ze was overleden, maar er was niemand die het was opgevallen. Wijkonderzoek dat niet lang daarna werd uitgevoerd deed twee thema’s bovendrijven: eenzaamheid en het gevoel langs elkaar heen te leven. Hierop werd een zanggroep samengesteld met een ambitieus doel: een grote uitvoering van de Carmina Burana in hun wijk.

“Maar bovenal draaide het project om sociale verbanden. De groep heeft er met optredens op verschillende plekken in de buurt voor gezorgd dat oudere, eenzame mensen hun buurtgenoten leerden kennen en in staat werden gesteld een eigen sociaal netwerk ontwikkelden. De schokbeweging die het overlijden van deze dame teweeg had gebracht, is zo omgezet in iets heel moois.”