De honderdduizenden Nederlandse trombosepatiënten die zogeheten vitamine K-antagonisten (VKA) gebruiken om bloedstolsels in de (slag) aders tegen te gaan, zijn vaak afhankelijk van de expertise van trombosediensten bij het toedienen van de juiste dosis medicijnen. Door middel van een veneuze bloedafname, via een naald in de arm, helpen deze diensten de patiënten bij het controleren van de stollingswaarde van het bloed en voorkomen ze onder- of overbehandeling. VKA-gebruikers krijgen de komende jaren echter te maken met een aantal ingrijpende veranderingen in de wijze waarop hun zorg wordt aangeboden. Hugo Stoevelaar, directeur van De Nationale Trombose Dienst, vertelt hoe deze ontwikkelingen de markt zo drastisch door elkaar gaan schudden.

Welke veranderingen ziet u binnen de trombosezorg?

“We zien dat de vraag naar begeleiding van lokale trombosediensten – de zogeheten ‘prikposten’ – gestaag afneemt. Dit is voor een groot deel het gevolg van de opkomst van nieuwe medicatie, waarbij het periodiek beoordelen van bloedwaarden niet meer noodzakelijk is. Hierdoor neemt het gebruik van VKA’s af. Deze nieuwe medicijnen zijn echter niet voor iedereen geschikt en dit is dan ook niet de enige oorzaak voor de afnemende vraag naar de expertise van prikposten. Ik merk dat zelfregie hier ook een rol in speelt: mensen zoeken naar een manier waarop zij lichamelijk minder belast worden. Een periodiek bezoek aan een lokale trombosedienst kan voor deze patiëntengroep immers een lastige en tijdrovende onderneming zijn, dus onderzoeken zij alternatieven waarbij zij zelf de regie in handen hebben en eigenhandig de juiste dosering kunnen bepalen.”

Welke gevolgen hebben deze trends voor de tientallen trombosediensten in Nederland?

“Trombosediensten worstelen vooralsnog met een soort validatie van hun bestaansrecht. Het is te vergelijken met automonteurs: vroeger moesten zij een hele motor demonteren om de oorzaak van een probleem te achterhalen. Tegenwoordig zijn auto’s zo ontworpen dat zij zelf kunnen aangeven welk onderdeel moet worden vervangen. Dan rijst de vraag of het nog redelijk is om dezelfde reparatiekosten in rekening te brengen en welke gevolgen dit heeft voor de garage. Voor trombosediensten geldt min of meer hetzelfde. Door de afnemende vraag zijn de kosten van lokale vestigingen vaak niet langer in verhouding met de vergoeding die de diensten ontvangen van zorgverzekeraars. Om kosten te besparen, zoeken veel trombosediensten daarom naar manieren om onderling samen te werken. Vooralsnog merken patiënten daar in de praktijk nog niet veel van, die samenwerking gebeurt namelijk vooral op een hoger niveau. Maar ook met een dergelijke kostenbesparing zijn veel van deze trombosediensten over een paar jaar niet langer rendabel.”

Hoe ziet de trombosezorg er over een paar jaar uit?

“Lokale vestigingen van trombosediensten zullen steeds vaker hun deuren sluiten, als gevolg van de opkomst van nieuwe medicatie en de groeiende overstap naar zelfregie. Als gevolg daarvan gaan de resterende patiënten op zoek naar alternatieven. Een deel van hen zal namelijk afhankelijk blijven van een vorm van begeleiding. Denk hierbij aan laaggeletterden, anderstaligen of mensen die om wat voor reden dan ook niet in staat zijn om zelf de regie in handen te nemen. Ik denk dat apothekers of huisartsassistenten een deel van de taken van trombosediensten kunnen overnemen. Het is weliswaar een trend dat huisartsen steeds meer taken op hun schouders krijgen, maar aan de andere kant ontvangen zij voor deze verrichting een vergoeding. Daarmee kunnen zij – bij een grote aanloop – besluiten om extra personeel aan te trekken. Ik denk echter dat die aanloop in de praktijk mee zal vallen en veel mensen zullen kiezen voor een vorm van zelfregie.”

Wanneer acht u het verantwoordelijk om als zorgverlener de regie te delen?

“Een trombosepatiënt ontvangt van een specialist een doorverwijzing naar een regionale trombosedienst. Op de prikpost kan een medewerker attenderen op de mogelijkheid om thuis de bloedwaarden te controleren. Dit gebeurt doorgaans als het vermoeden bestaat dat de patiënt graag de controle zelf zou uitvoeren. Diegene moet daar echter wel toe in staat zijn. De therapietrouw mag immers niet onder druk staan, want daarmee kan de gezondheid van de patiënt in het geding komen. Bovendien wil een trombosedienst liever niet investeren in dure zelfmeetapparatuur als niet vaststaat dat iemand die verantwoordelijkheid kan dragen.”

Welke rol spelen jullie in deze ontwikkelingen?

“De Nationale Trombose Dienst biedt een heel laagdrempelige vorm van zelfmeting aan duizenden VKA-gebruikers. Als iemand zich aanmeldt, doorlopen wij samen met de cliënt de stappen die bij zelfmeten van belang zijn. Dit proces bestaat uit een onderdeel e-learning en een huisbezoek waarin een verpleegkundige het vingerprikken uitlegt. Het maakt vanwege onze werkwijze dan ook niet uit waar in Nederland iemand woont. Bovendien kan deze verpleegkundige aan de hand van alledaagse zaken beoordelen of iemand wel tot zelfmeting in staat is. Is het huis goed onderhouden? Heeft de cliënt zich goed op de afspraak voorbereid? Gebruikt hij of zij ook andere medicatie? Als de verpleegkundige medicatie tegen Alzheimer op tafel ziet liggen, dan gaat er natuurlijk een belletje rinkelen. In de praktijk blijkt de vaardigheid van een cliënt echter zelden een obstakel: slechts een enkeling moeten wij teleurstellen, bijvoorbeeld doordat iemand toch niet goed met een computer overweg kan of een te beperkt gezichtsvermogen heeft. De meeste gebruikers zijn zeer te spreken over onze werkwijze, getuige onze scores op internet en in klanttevredenheidsonderzoeken.”

Hoe ondersteunen jullie trombosepatiënten gedurende de behandeling?

“Het klinkt misschien als een cliché, maar wij gaan verder dan alleen het bieden van de primaire zorg. Als iemand kampt met een probleem, doen wij er alles aan om mee te denken over een oplossing. Zo kan een cliënt problemen hebben met inloggen of een afspraak hebben bij de tandarts en afvragen welke gevolgen dit heeft voor de zelfmeting. Wij zijn er voor cliënten als zij ons nodig hebben, maar dringen ons niet al te zeer op. Wel houden we een oogje in het zeil, want er zijn talloze signalen die kunnen duiden op problemen. Een te hoge bloedstollingswaarde of een te grote afname van meetstrips kan een indicatie zijn dat er iets niet goed gaat. Ditzelfde geldt voor cliënten die veelvuldig contact zoeken per telefoon en ons digitale platform links laten liggen. Uiteindelijk is dit platform een essentieel onderdeel van onze werkwijze. Als iemand zijn digitale medicatiepagina al een aantal maanden niet gewijzigd heeft, kan dat voor ons reden zijn om even contact op te nemen. Op deze manier houden we altijd een vinger aan de pols en zorgen we dat het welzijn van cliënten continu gewaarborgd blijft. In een verkavelde en snel veranderende trombosemarkt is die zelfregie en continuïteit voor cliënten een heel aangename werkwijze.”

Meer informatie
www.ntd.nl