Kinderen kunnen lastige eters zijn. Een bord groente of nieuw product gaat er vaak niet zonder slag of stoot in. Bij één op de tien kinderen neigt dit selectieve eetgedrag naar een serieus eetprobleem, veelal gepaard met angst en een ernstig tekort aan voedingsstoffen.

Vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis

In zo’n geval kan gesproken worden van een vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis. Hoe kan deze stoornis verklaard en behandeld worden? Een expert en cliënt leggen uit. Kinderen met een voedselinnamestoornis, ook wel ARFID genoemd (avoidant/restrictive food intake disorder), kampen met selectief en/of restrictief eetgedrag. H

et selectief eetgedrag kent een hardnekkig patroon van specifieke voedselvoorkeuren, vanwege smaak, textuur, kleur of slikangst. Bij restrictief eetgedrag eet het kind weliswaar gevarieerder, maar veel te weinig. Vaak komt dit door een gebrek aan interesse of plezier in het eten. Deze voedselinnamestoornis leidt in veel gevallen tot lichamelijke en psychische klachten, zegt dr. Sandra Mulkens, assistent professor en klinisch psycholoog aan de Universiteit Maastricht.

De lichamelijke klachten kenmerken zich onder meer door ondergewicht, een groeiachterstand en vermoeidheid. Psychische klachten uiten zich in angst en sociale problemen: “Deze kinderen durven vaak alleen nog thuis te eten, áls ze al eten. Ze vermijden afspraken met vriendjes en raken in een sociaal isolement.” Deze stoornis kan verschillende oorzaken hebben, stelt Mulkens. Een deel van deze kinderen kampt met dit probleem omdat ze te vroeg geboren zijn. Bij een tweede deel gaat de voedselinnamestoornis gepaard met een andere stoornis, zoals autisme. Een derde groep kampt met een traumatische ervaring als bijna-verstikking en voor een vierde groep is de reden nog niet aanwijsbaar.

De behandeling van selectief eetgedrag

Mulkens stelt dat een voedselinnamestoornis gelijkenissen toont met een angststoornis: “Veel van deze kinderen kennen een angst om te slikken of zelfs te stikken in bepaald voedsel. Cognitieve gedragstherapie biedt dan uitkomst.” Bij deze behandeling leren kinderen dat zij voedsel kunnen eten zonder hier nadelige gevolgen van te ondervinden.

Exposure staat centraal. In heel kleine stapjes stelt het kind zich steeds meer bloot aan zijn angst voor eten. De rol van ouders is hierin groot, zegt Mulkens. “Kinderen en ouders zijn vaak in een vicieuze cirkel terechtgekomen. Ze zijn radeloos, doen alles opdat het kind toch maar iets binnenkrijgt. Ze moeten leren hoe ze hun kind anders kunnen ondersteunen en niet langer meegaan in de vermijding.”

Uit eigen ervaring

De 11-jarige Bo onderging deze behandeling. Zij had onder meer een slikfobie waardoor ze alleen nog vloeibare voeding at. In de dagbehandeling leerde Bo anders omgaan met angst. Stap voor stap leerde ze opnieuw eten. Van eerst ruiken, aan voedsel likken en in de mond doen zonder te kauwen, naar wel kauwen en doorslikken. Na de dagbehandeling startte de nabehandeling.

Bo en haar ouders kwamen regelmatig terug voor eetsessies en verdere oefening: “Eens per week was er een gezinssessie waarbij mijn ouders bij het eten aanwezig waren. Samen leerden we over helpende gedachten en helpend gedrag.” Sinds de behandeling kwam Bo tien kilo aan. Ze is niet meer bang om eten met een harde structuur door te slikken: “Vóór de dagbehandeling voelde ik me heel alleen. Ik dacht dat ik de enige was met dit probleem. Nu voel ik zekerder en durf ik meer, niet alleen als het om eten gaat.”