In iedere klas zijn er kinderen die moeite hebben met concentreren. Die concentratieproblemen kunnen het gevolg zijn van de manier waarop ze prikkels verwerken. Een pilotstudie van het Welten-instituut laat zien dat tot wel 35% van de basisschoolkinderen problemen heeft met prikkelverwerking. Dat uit zich in dromerig of juist onrustig gedrag, prikkelvermijdend of juist heel erg druk gedrag. Céleste Meijs, Inge van der Wurff en Renate de Groot, onderzoekers bij het Welten-instituut, doen samen met onderzoekers van Universiteit Maastricht onderzoek naar deze dromers en wiebel-friemelkinderen.

Hoge en lage prikkeldrempel

Een mens neemt omgevingsprikkels zoals geluiden en bewegingen pas waar als die een bepaalde drempelwaarde hebben bereikt. Die drempelwaarde is voor iedereen verschillend. En ieder mens verwerkt die prikkels op zijn eigen manier. Het onderzoeksteam onderzocht hoe dat zat bij kinderen in groep 3 t/m 8. Céleste Meijs: ‘Je hebt te maken met twee dingen. Kinderen hebben zoals iedereen een prikkeldrempel en die kan hoog of laag zijn. Als je een lage prikkeldrempel hebt, krijg je alles mee en ben je snel afgeleid. Als je een hoge prikkeldrempel hebt, ontgaat je veel en mis je veel informatie. Het dringt niet tot je door. Het tweede is de manier waarop kinderen met die prikkeldrempel omgaan. Kinderen, zo jong als ze zijn, passen onbewust al strategieën toe om met het tekort of teveel aan prikkels om te gaan.’

Dromers en wiebel-friemelkinderen

Kinderen met een hoge prikkeldrempel merken prikkels niet snel op en missen informatie. In de studie onder basisschoolkinderen viel 25% van de kinderen in deze categorie. Vaak zijn dit de dromerige, afwezige kinderen. Een andere groep kinderen heeft ook een hoge prikkeldrempel, maar gaat er op een actieve manier mee om. Ze gaan op zoek naar extra prikkels om de drempel te bereiken. Dit zijn de kinderen die onrustig zijn in de klas (zonder geagiteerd te zijn): de wiebel-friemelkinderen. ‘Deze kinderen doen dat niet om lastig te zijn, maar ze doen dat om bij de les te blijven. Als ze het niet doen, dan missen ze informatie. Uit onze pilotstudie bleek dat 18% van de kinderen in deze categorie viel.’

Terugtrekken of druk en geagiteerd

Er zijn ook kinderen die een lage prikkeldrempel hebben. Zij krijgen dus heel veel, te veel prikkels mee. Een deel van de kinderen gaat daar actief mee om: zij trekken zich terug of schermen de oren af om daarmee prikkels te vermijden. Meijs: ‘Uit onze pilotstudie blijkt dat ruim 23% in deze categorie valt en zichzelf beschermt door prikkels te vermijden. Het kan zijn dat zo’n leerling met de capuchon op het hoofd in elkaar gezakt achter een tafel zit, zijn ogen dicht doet om visuele prikkels buiten te sluiten, of in zijn eentje in een hoek van de klas gaat zitten en niet meespeelt met de rest. Dat is dus niet per se desinteresse of niet opletten: het kan heel goed een manier zijn om een overdaad aan prikkels en afleiding te vermijden.’ Tot slot zijn er kinderen met een lage prikkeldrempel die geen actieve strategie hanteren om prikkels te vermijden. Deze kinderen zijn snel overprikkeld, worden druk en zijn geagiteerd. Uit de pilotstudie bleek dat 30% van de kinderen in deze categorie valt.

Leeftijd- en geslachtsverschillen

Is er verschil tussen jongens en meisjes als het gaat om prikkelverwerking? Meijs: ‘Nee, we zien geen verschil in prikkelverwerking of in verdeling in categorieën tussen jongens en meisjes. En ook als je kijkt naar leeftijd zijn er geen verschillen. In elke klas zien we de vier categorieën terug en het is ook niet zo dat kinderen in de hogere klassen minder problemen hebben met prikkelverwerking dan kinderen in de lagere klassen.’ Het kan wel zo zijn dat kinderen, naarmate ze ouder worden, er beter mee om kunnen gaan waardoor ze er (zelf) minder problemen door ervaren.

Hulpmiddelen

En hoe ga je nu om met al deze verschillen? Meijs: ‘Het onderwijs gebruikt allerlei hulpmiddelen om kinderen met prikkelproblemen te helpen. Denk maar aan wiebelkussens, tangles of koptelefoons. Maar we weten nog niet precies wat nu werkt en voor wie. In ons onderzoek gaan we kijken naar de effectiviteit van deze middelen. Dat doen we in de praktijk, samen met Nederlandse basisscholen. Hopelijk kunnen we op basis van die resultaten scholen adviseren over welke hulpmiddelen in welke situaties goed werken en waarom ze goed werken.’

Bron: Open Universiteit