Iedereen is weleens angstig en bezorgd. Maar bij mensen met een gegeneraliseerde angststoornis komen deze gevoelens wel heel vaak voor. Ze maken zich constant druk en piekeren buitensporig over de dagelijkse dingen. Waar wordt dit door veroorzaakt en wat is er tegen te doen? We vroegen het Colin van der Heiden, klinisch psycholoog en hoogleraar Geestelijke Gezondheidszorg bij de Erasmus Universiteit.

Wat wordt verstaan onder een gegeneraliseerde angststoornis?

“Een gegeneraliseerde angststoornis wordt ook wel ‘piekerstoornis’ genoemd. Het wordt gekenmerkt door onbeheersbaar piekeren en betreft vaak gedachten over de toekomst. Deze worden gedreven door angst.”

Zijn er nog meer kenmerken?

“Jazeker. Naast bovengenoemde kenmerken zijn er nog een aantal niet-specifieke symptomen die bij de stoornis horen. Voorbeelden zijn fysieke klachten zoals nek- en schouderpijn, prikkelbaarheid, slaapproblemen en een opgejaagd of rusteloos gevoel.”

Hoe wordt een gegeneraliseerde angststoornis vastgesteld?

“Allereerst worden altijd structurele interviews door een psycholoog gehouden. Voor een diagnose moeten mensen in ieder geval aan de hoofdsymptomen voldoen. Dit betekent langer dan een halfjaar onbeheersbaar piekeren, over allerlei verschillende onderwerpen. Daarnaast dienen ze last te hebben van minstens drie van de niet-specifieke kenmerken. En ten slotte is het noodzakelijk dat iemand eronder lijdt, anders is er geen sprake van een stoornis.

Voor een diagnose is het genoeg als iemand zich over twee onderwerpen druk maakt, maar in de praktijk tobben mensen over van alles en nog wat. Dit kunnen zelfs de kleinste en gekste dingen zijn. Wanneer ze niet piekeren, maken ze zich zorgen over het feit dat ze niet aan het peinzen zijn. Ze worden dan bang om niet goed te zijn voorbereid in het geval er iets misgaat. Als gevolg hiervan gaan ze weer piekeren en is de cirkel rond. Veelal leidt een gegeneraliseerde angststoornis tot een depressie, doordat mensen zich ook zorgen maken over dingen waar ze normaal gesproken plezier uithaalden.”

Hoe vaak komt het naar schatting voor?

“Volgens Amerikaans onderzoek lijdt 9 procent van de bevolking aan een gegeneraliseerde angststoornis. In Nederland is dit aantal 4,5 procent. Daarbij komen angststoornissen over het algemeen twee à drie keer vaker bij vrouwen dan bij mannen voor. De precieze reden hiervoor is niet bekend. Wellicht dat vrouwen hun klachten eerder zullen rapporteren.”

En wat zijn de oorzaken voor het ontwikkelen van een dergelijke stoornis?

“Ook over dit onderwerp is maar weinig bekend. Wel wordt aangenomen dat er een genetische component van invloed is. Dit betekent niet dat wanneer een ouder de stoornis heeft, het kind deze per definitie ook zou krijgen. Maar er is wel sprake van een verhoogd risico. Daarnaast kan het zogenoemde ‘model leren’ een rol spelen. Wanneer een kind zijn of haar ouder bijvoorbeeld altijd heeft zien piekeren, kan het dit over gaan nemen.

Een andere mogelijkheid is dat de stoornis toevallig ontstaat. Veel mensen maken zich bijvoorbeeld zorgen wanneer ze een examen hebben. In het geval dat ze de toets halen, kunnen ze dit toeschrijven aan het piekeren vooraf. Ze denken dan dat ze door het tobben goed waren voorbereid. Als gevolg worden er positieve consequenties aan het piekeren gekoppeld en gaan mensen het vaker doen. Ze zien het als iets nuttigs en een manier om ellende te voorkomen.”

Wat zijn de behandelmethoden?

“Voor angststoornissen is (meta)cognitieve gedragstherapie de beste manier van aanpak. Hierbij wordt behandeld vanuit de optiek dat het piekeren op zichzelf geen probleem vormt. We kijken in plaats daarvan naar de opvattingen, ofwel hoe mensen over het piekeren nadenken. Dit wordt de meta-cognitie genoemd.”

Welke opvattingen kunnen mensen hebben?

“Enerzijds zijn er de negatieve opvattingen over het piekeren. In dat geval worden mensen er bang van en denken er gek door te worden of een hartaandoening van te krijgen. De zorgen zijn onbeheersbaar en beangstigend. Aan de andere kant zijn er de positieve opvattingen, waarbij mensen het piekeren als iets nuttigs zien. Ze zijn ervan overtuigd dat het hen helpt om goed op de zaken voorbereid te zijn. Samenvattend maken de negatieve opvattingen mensen angstig en zorgen de positieve opvattingen ervoor dat ze blijven piekeren.”

Hoe wordt hier in de behandeling op ingespeeld?

“We gaan de opvattingen uitzoeken en uitdagen. Met behulp van gedachteschema’s bekijken we of ze kloppen, waarna we experimenten doen om ze in de realiteit te testen. Een voorbeeld om een negatieve opvatting te onderzoeken, is om mensen te vragen het piekeren uit te stellen naar een bepaald tijdstip. Als dit een aantal keer lukt, is er bewijs voor het feit dat piekeren niet geheel onbeheersbaar is. Een ander voorbeeld is dat we mensen vragen om spontaan heel hard te piekeren. Op deze manier kunnen we bekijken of ze daadwerkelijk iets aan hun hart krijgen of er gek door worden. Vaak wordt dan een paradoxaal effect zichtbaar. Uiteindelijk hopen we de angst voor het piekeren en daarmee ook de activiteit zelf weg te nemen.

In de tweede fase van de behandeling richten we ons op de positieve opvattingen. Ook deze worden uitgedaagd door middel van gedachteschema’s en experimenten. Een voorbeeld is dat we mensen vragen om in de eerste helft van de week extreem te piekeren en op de andere dagen een ‘normaal’ niveau aan te houden. In het geval dat de gedachte “piekeren is nuttig” klopt, zouden ze in de eerste helft beter moeten functioneren. Vaak blijkt echter het tegenovergestelde waar te zijn. Uiteindelijk wordt zo duidelijk dat tobben niet helpt.

In het laatste deel van de behandeling helpen we mensen met het zoeken naar alternatieve manieren om met hun problemen om te gaan.”

Wat kan je zelf doen in het geval je een gegeneraliseerde angststoornis vermoedt?

“Er zijn een aantal dingen die je zelf kunt proberen. Sporten is een voorbeeld, maar ook ontspanningsoefeningen- of therapie. Een ander idee is om probleemoplossingsstrategieën te gebruiken. In dat geval schrijf je het probleem op en denkt na over mogelijke oplossingen. Vervolgens werk je deze uit en bekijkt per uitkomst de voor- en nadelen. Uiteindelijk kun je zo op zoek gaan naar de oplossing.

En werkt dit niet? Dan raad ik aan om een verwijzing voor een specialist aan te vragen. De stoornis is goed behandelbaar en veel mensen kunnen volledig herstellen. Maar hier is wel de juiste hulp bij nodig, ”