Op tal van plekken worden initiatieven genomen om tot meer samenwerking te komen tussen kinderopvang, primair onderwijs en jeugdzorg. Een van de belangrijkste doelstellingen is het doortrekken van leer- en ontwikkellijnen voor kinderen. Een kind van 3 jaar is immers nog steeds hetzelfde kind wanneer het 4 jaar wordt.

Goede samenwerking

Er is daarom een goede samenwerking nodig rondom het kind. De belangrijke spelers in de eerste, vormende, jaren van het kind zijn ouders en kinderopvang. Samenwerking tussen kinderopvang en ouders staat of valt bij wederzijdse erkenning: de kinderopvangprofessionals moeten ouders serieus nemen en vice versa.

Een voorbeeld van verregaande samenwerking tussen kinderopvang en basisonderwijs is het integrale kindcentrum (IKC). Een van de kritiekpunten is dat er binnen de samenwerkingsverbanden nog te veel vanuit de organisatie wordt gedacht. Hoe kan het IKC worden vormgegeven zodat hoog pedagogische kwaliteit voorop staat? En kunnen de centra zo worden ingericht dat rekening gehouden wordt met wat kinderen nodig hebben?

Gedeelde pedagogische visie

Jeannette Doornenbal, lector Integraal Jeugdbeleid – Opvoeding, Onderwijs en Opvang aan de Hanzehogeschool Groningen, is gespecialiseerd in samenwerkingsvraagstukken in onderwijs, kinderopvang en zorg. De vorming van de IKC’s is een voorbeeld van zo’n vraagstuk. “Het belangrijkste bij een IKC is dat je kinderen gezamenlijk wilt ondersteunen bij hun ontwikkeling, bij het vinden van hun plek in de wereld.”

In een IKC vervagen de grenzen tussen onderwijs en opvang, tussen spelen en leren; taken van de leraar en die van de pedagogisch medewerker. Ouders en kinderen krijgen te maken met één missie en visie, één organisatie, één regie, één team. “Er werken minstens twee typen organisaties samen, die aanvankelijk verschillende pedagogische opvattingen kunnen hebben over leren en ontwikkelen”, aldus Doornenbal.

De basis is het formuleren en in beeld houden van een gedeelde pedagogische visie en heldere doelen die passen bij de situatie. Het is van belang de competenties van verschillende teamleden te benoemen en een duidelijke taak- en rolverdeling te maken. Het IKC dient de taken en verantwoordelijkheden te inventariseren en daar medewerkers bij te zoeken die daar qua houding, vaardigheden en kennis bij passen.

“Je wilt dat elk kind, ongeacht herkomst, mogelijkheden en beperkingen, mee kan doen. Dat is een complexe opgave die je beter samen dan in je eentje kunt oppakken. Daarvoor moeten leraren en pedagogisch medewerkers het samen doen.”

Proeftuinen binnen passend onderwijs

Omgaan met diversiteit is in een IKC dus een belangrijke doelstelling, zeker binnen passend onderwijs. Dat vraagt om expertise op het gebied van zorg die leraren en pedagogisch medewerkers niet altijd voldoende hebben. Het is voor kinderen, ouders en professionals van belang dat zorg dichtbij wordt georganiseerd, zegt Doornenbal. Zij is tevens voorzitter van het wetenschapsteam van Pedagogisch PACT, dat investeert in de pedagogische omgeving van jonge kinderen door de kwaliteit van pedagogische professionals te versterken.

In opdracht van het Kinderopvangfonds creëerde de organisatie zogenoemde ‘proeftuinen’, waarin kinderopvang, basisonderwijs en zorg samenwerken aan een inclusieve speelleeromgeving voor kinderen van 0-6 jaar. “In de proeftuinen richt de inzet van zorg zich steeds meer op normaliseren en inclusie: de nadruk verschuift van curatief naar preventief.”

De inzet van zorg op de werkvloer versterkt pedagogisch medewerkers en leerkrachten in hun handelen, denkt Doornenbal. Zij voelen zich beter toegerust in het omgaan met verschillende kinderen. “Je bent er eerder bij en doorverwijzen blijkt minder nodig. Zwaardere problemen kun je voorkomen door adequate ondersteuning van leerkrachten, gesprekken met ouders of door extra begeleiding van het kind.”

Voor inclusie van kinderen moet van meet af aan verschillende soorten expertise in de teams gebracht worden, gericht op professionalisering en omgaan met diversiteit. Doornenbal ziet als ideaal dat ouders niet meer hoeven te zoeken naar de juiste ondersteuning voor hun kind, zelfs als extra steun nodig is, omdat dit al beschikbaar is op de plek waar hun kind verblijft.

“Er zijn ontzettend veel projecten over gezond leven, taalachterstand, armoedebeleid, noem maar op, maar er bestaat nauwelijks synergie tussen die projecten.” Zij zou graag zien dat die verschillende projecten bijdragen aan één gemeenschappelijke doelstelling. De gemeente kan daar een belangrijke rol in spelen door relevante partijen samen te brengen en met elkaar een gezamenlijke ambitie te formuleren.

Laagdrempelige ondersteuning

Samenwerking tussen verschillende organisaties kan beter en vanzelfsprekender, denkt ook Vivianne Buteijn, moeder van twee kinderen van 0 en 2 jaar, die naar de kinderopvang gaan. Een van de verbeterpunten is volgens Buteijn dat veel instellingen nog te veel op zichzelf gericht zijn, terwijl het voor het kind beter zou zijn als de organisaties meer samenwerken.

Gelukkig gebeurt er steeds meer op dit gebied, merkt ze. In de samenwerkingsketen rondom het kind zijn niet alleen het basisonderwijs en kinderopvang in beeld, ook de samenwerking van deze partijen met ouders is van wezenlijk belang, vindt Buteijn. Zelf ervaart zij de relatie met pedagogisch medewerkers als erg prettig. “Het is laagdrempelig om vragen te stellen rond eten, slapen en gedrag.

Met die vragen ga je niet naar de huisarts, en ook niet altijd naar het consultatiebureau.” De kinderopvang als laagdrempelige plek voor advies en vragen, dat is volgens Buteijn de kern. Daarbij bevordert de omgang met leeftijdsgenoten de ontwikkeling van het kind, denkt ze.

Ondersteuning vanuit kinderopvang

Een prettige bijkomstigheid is dat de professionals uit de kinderopvang de kinderen goed leren kennen. Buteijn heeft veel gehad aan de ondersteuning vanuit de kinderopvang. Zo was het voor haar een eyeopener toen ze van een pedagogisch medewerker bijvoorbeeld te horen kreeg dat haar oudste zoontje motorisch mogelijk wat achterliep op andere kinderen. “Met die informatie en wat extra aandacht kun je als ouder zelf veel oplossen, doordat je er snel bij bent. Extra interessant zou het overigens zijn als de opvang daar ook energie in kan steken, bijvoorbeeld samen met een IKC-partner.”

Voor andere vragen over de ontwikkeling van haar kinderen heeft ze wel eens een gesprek aangevraagd. “Daar wordt dan tijd voor vrijgemaakt.” Daarnaast is het voor ouders prettig om op de hoogte gehouden te worden zolang het kind nog niet of niet goed praat, denkt ze. Voor Buteijn is samenwerking tussen ouders en kinderopvang altijd vanzelfsprekend geweest. “Je wordt als ouder steeds meer betrokken bij de ontwikkeling.

Het is een partnerschap, die steeds intensiever wordt.” Daardoor kan de band tussen ouders en pedagogisch medewerkers zich verdiepen. Buteijn en andere ouders werden ook betrokken bij het opstellen van het pedagogisch kader. Daardoor leerde ze veel over pedagogische ontwikkeling en ziet ze thuis wat haar kinderen op de opvang hebben geleerd. Daar heeft ze zelfs tips aan overgehouden voor de inrichting van haar huis. Toch zou het partnerschap tussen ouders en opvang verder geïnstitutionaliseerd kunnen worden, vindt Buteijn. Het ligt nu nog te vaak in de individuele initiatieven van medewerkers.

Gelijkwaardige kennisdeling

Volgens Buteijn zou het een uitkomst zijn als deze lijn doorgetrokken zou worden naar de basisschool. “Overdracht tussen opvang en basisonderwijs vindt natuurlijk altijd al plaats. Alleen in een IKC gaat dat waarschijnlijk net wat natuurlijker en eenvoudiger doordat leraren en pedagogisch medewerkers al samen met het kind werken.”

Bovendien verschilt de expertise van medewerkers op scholen en kinderopvang; gelijkwaardige kennisdeling tussen de twee draagt bij aan de ontwikkeling van kinderen. De opvang waar haar kinderen naartoe gaan, maakt (nog) geen onderdeel uit van een IKC, dus hoe het voor haar eigen kinderen zal lopen, moet nog blijken. “Een IKC als integrale organisatie spreekt mij erg aan. Hier kijk ik naar uit voor mijn kinderen.”