Bewegingsangst of ‘kinesiofobie’ treedt soms op na een ernstige blessure. Mensen met bewegingsangst zijn bang dat ze hun spieren of gewrichten snel weer overbelasten en opnieuw het hersteltraject moeten doorlopen. Dit kan vooral voor sporters een enorme blokkade zijn van de revalidatie, en erover praten is niet altijd makkelijk.

Jeroen Bijman is sporttherapeut en bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie in de Sportgezondheidszorg. Hij vertelt over de problemen die mensen met bewegingsangst ondervinden bij hun terugkeer naar het sportveld.

Wat is bewegingsangst?

“Wat je soms bij sporters ziet is dat als ze een ernstige blessure hebben gehad, zoals een breuk of een kruisbandblessure, het terugkeren naar het sportveld nogal wat angst kan opleveren. Angst voor het oplopen van nog eenzelfde of een andere blessure.
Grote blessures hebben soms heel erg veel gevolgen, ook op de privésituatie.

Bijvoorbeeld omdat ze een tijdje niet hebben kunnen werken. De angst om dan weer zo’n blessure op te lopen is dan heel erg aanwezig.”

Hoe vaak komt het voor?

“We hebben veel patiënten met over het algemeen kleinere blessures. Bewegingsangst zie je met name gebeuren bij mensen die op niveau sporten en waar toch veel van verwacht wordt. Of waarbij de blessure echt indicatie heeft, dus dat je negen maanden tot een jaar moet herstellen. Dan kan dat die angst natuurlijk ook opleveren.

We zien het niet aan de lopende band, want ik ben een fysiotherapeut en geen psycholoog. Maar naast sporters zien we het ook bij mensen die nieuwe knieën of heupen hebben. Die zijn vaak bang voor pijn bij het lopen, fietsen of andere dagelijkse activiteiten.”

Zijn er nog speciale blessures waarbij mensen vaak bewegingsangst krijgen?

“Dat is afhankelijk van de blessure. Als iemand tennist dan is de implicatie van een kruisbandblessure anders, omdat bij tennis de arm natuurlijk heel belangrijk is. En het risico op een kruisbandblessure is dan natuurlijk een stuk minder want bij een tennisser zou een schouderblessure de boosdoener zijn. Bij een handbalspeler is het weer de schouder die uit de kom gaat.

Per sport heb je hele specifieke vragen die naar voren komen. Dat moeten we in de therapie ook inbouwen, dus het werken aan Return to Play: het vermogen om de sportbewegingen die verlangd worden weer te oefenen met de patiënt.”

Is er een taboe op bewegingsangst?

“Dat hangt een beetje van de setting af. Als iemand bij de dokter komt dan zullen ze het niet zo snel vertellen. Die zien ze vaak kort en niet zo vaak en je gaat niet naar de dokter toe om te vertellen dat je niet durft te voetballen bijvoorbeeld. Maar als je drie keer per week bij de fysiotherapeut langskomt om te revalideren van een kruisbandblessure, dan zal dat onderwerp wel ter sprake komen.

Ik denk dat de patiënt er makkelijker bij ons over begint dan bij zijn voetbaltrainer of vrienden. En dan is het aan de fysiotherapeut om samen te werken. Samen te werken met sportartsen en sportpsychologen om te signaleren dat het gaande is. En daar waar nodig de hulp in het netwerk aan te bieden. Dus multidisciplinaire samenwerking is in dat geval wel een hele belangrijke kwestie.

Wat kan er nog meer gedaan worden om die bewegingsangst te overwinnen?

“Meerdere dingen: het oefenen, het inslijpen en de psychologische begeleiding. Ik denk dat dat de belangrijkste onderdelen zijn.”