Gezien de overlap in risicofactoren (roken, weinig bewegen en veroudering) komen hartfalen en de chronische longziekte COPD vaak gezamenlijk voor. Omdat de symptomen (kortademigheid, vermoeidheid) vaak overeenkomstig zijn, is het onderscheid in de praktijk lastig. De veelvoorkomende co-morbiditeit van deze ziekten blijft vaak onopgemerkt. Om diagnostiek en behandeling van hartfalen en COPD te verbeteren, is nauwere samenwerking tussen huisarts, longarts en cardioloog nodig. E-health kan worden ingezet voor monitoring, coaching en op den duur screening van deze patiënten.

Na de eerste diagnose…

Longarts Frits Franssen van het MUMC+ zag veel COPD-patiënten bij wie de mate van klachten maar gedeeltelijk te verklaren was door hun verminderde longfunctie. Bij nader onderzoek bleek zo’n 20 procent van de patiënten met COPD ook hartfalen te hebben. In hetzelfde ziekenhuis liep cardioloog Hans-Peter Brunner-La Rocca tegen ditzelfde probleem aan; hoge percentages patiënten met hartfalen bleken ook COPD te hebben. Veelal werd dit over het hoofd gezien. Na het stellen van de eerste diagnose wordt niet direct gedacht aan een andere ziekte met dezelfde symptomen. Dat is volgens Franssen de valkuil. “Daarom moet je altijd blijven nadenken of klachten overeenkomen met de vastgestelde aandoening.” Als inderdaad sprake is van co-morbiditeit nemen klachten pas af wanneer beide ziekten worden aangepakt. En dat is van groot belang voor de patiënten. Brunner-La Rocca: “De kwaliteit van leven wordt onevenredig zwaar beïnvloed bij mensen met beide aandoeningen.”

Samenwerken voor betere diagnostiek

De artsen zijn overtuigd van het belang van betere diagnostiek. Die taak ligt bij specialisten maar ook huisartsen, die volgens Brunner-La Rocca een overkoepelende functie kunnen hebben. Het begint met bewustzijn en alertheid. Voor de toekomst verwachten de artsen heldere richtlijnen, maar vooralsnog ontbreekt een protocol voor snellere opsporing van co-morbiditeit. De patiënten delen risicofactoren als roken, weinig beweging en een hoge leeftijd. Ook verhoogt de ene ziekte het risico op de andere. Elke hartpatiënt onderzoeken op longafwijkingen of vice versa zou echter onbetaalbaar worden. Daarom moeten behandelaars vooral de klachten onderzoeken. Vaak verklaart de gestelde diagnose niet de ernst of combinatie van klachten. Bij vermoedens van co-morbiditeit is nader onderzoek nodig en moet buiten de eigen afdeling gekeken worden, en dat is niet altijd gemakkelijk. Soms spelen redenen als tijdgebrek of financiële prikkels om niet door te verwijzen.

Samenwerking is essentieel, maar ligt vooralsnog in handen van lokale initiatieven, vertelt Franssen. “Het is maar net waar een enthousiaste longarts of cardioloog rondloopt.” Breder opgezette en gereguleerde samenwerking is het doel voor de toekomst. Daarvoor moeten huisartsen, patiëntenverenigingen, verzekeraars en specialisten de koppen bij elkaar steken. Dit is noodzakelijk volgens Brunner-La Rocca. “We hebben het nu over de relatie tussen twee ziekten, maar dat kunnen er ook vijf of tien zijn. Multi-morbiditeit wordt met een vergrijzende bevolking en bezuinigingen in de zorg steeds prangender.”

Virtuele consulten

Om de verantwoordelijkheid en zelfstandigheid bij patiënten te vergroten en de kosten voor behandeling te beperken, wordt e-health ingezet – vooral nog complementair aan bestaande zorg. Brunner-La Rocca gelooft dat dit pas het begin is van de vele mogelijkheden van e-health. Een voorbeeld hiervan is een virtuele verpleegkundige, die monitort, coacht en feedback geeft. E-health kan ook een deel van de screening bij de patiënt leggen en zo bijdragen aan het opsporen van aandoeningen. Daarbij moet volgens Franssen wel een kanttekening geplaatst worden bij de te bereiken doelgroep. “Mensen die gemakkelijk gebruik maken van apps of andere toepassingen, zijn vaak al goed te bereiken. Je wilt juist de mensen helpen die het moeilijkst te managen zijn.” Directe begeleiding van een arts zal daarom nodig blijven.

Deel dit artikel via:

Facebooktwittergoogle_pluslinkedin