“Gaan jouw kinderen vier dagen?” Het is een vraag waarmee sommige ouders in Nederland geconfronteerd worden tijdens gesprekken over kinderopvang. Opvang is geaccepteerd – ouders moeten immers werken – maar tot op zekere hoogte, vertelt Heidy Knol, voormalig directeur van Brancheorganisatie Kinderopvang. Meer dan twee of drie dagen kan niet goed zijn voor het kind omdat die het beste af is bij zijn of haar ouders, is de heersende gedachte.

Dat een goede ouder-kindrelatie veel waarde heeft, valt niet te betwisten. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) stelt op haar website dat een goede hechting in de eerste levensjaren essentieel is voor een voorspoedige sociaalemotionele, taal- en cognitieve ontwikkeling van een kind. Dat wil echter niet zeggen dat die hechting enkel en alleen kan plaatsvinden met de ouders. Ook andere ‘primaire opvoeders’ dragen eraan bij volgens het NJi. Daar sluit Ruben Fukkink zich bij aan. De bijzonder hoogleraar Kinderopvang aan de Universiteit van Amsterdam noemt contact met opvangkrachten
als een van de voordelen van crèche-ervaring voor jonge kinderen. “Als deze kinderen de kleuterleeftijd bereiken, zijn ze sociaal wat sterker, handiger met leeftijdsgenootjes en vertrouwder met vreemde volwassenen zoals een leerkracht.”

Arbeidsmarktinstrument

Veel ouders zijn zich niet bewust van de toegevoegde waarde van kinderopvang, denkt Knol. Zijzelf hoorde daar ook bij. Toen ze kinderen kreeg, wilde ze graag blijven werken. Kinderopvang bood voor haar een praktische uitkomst. “Pas toen ik er eenmaal gebruik van maakte, realiseerde ik me hoeveel ze zich daar ontwikkelden.” Ze zou graag zien dat kinderopvang niet langer enkel gezien wordt als een instrument voor de arbeidsmarkt dat ouders in staat stelt deel te nemen aan de economie. “Het zou voor alle kinderen goed zijn om een voorschoolse voorziening te bezoeken, ongeacht de thuissituatie.”

In het eerste kwartaal van 2018 gingen 778.000 kinderen van 0 tot 12 jaar naar een vorm van opvang, blijkt uit schattingen van de Rijksoverheid gebaseerd op het gebruik van kinderopvangtoeslag. Ongeveer de helft daarvan is 0 tot 4 jaar oud. Daarmee zet een stijgende trend door: in 2017 gingen er 733.000 naar de opvang en in 2014 waren het er nog maar 621.000. Met het gros van die driekwart miljoen gaat het goed, vertelt Fukkink. Er zijn echter een paar kinderen die, net zoals in het onderwijs, wat extra zorg nodig hebben op de opvang. “Zij worden ook wel orchideekinderen genoemd”, vertelt de bijzonder hoogleraar. Die benaming is onderdeel van een hypothese die kinderen grofweg in twee categorieën verdeelt. De eerste en grootste groep zijn de zogenaamde paardenbloemen. Dit zijn de kinderen met wie het altijd wel goed gaat op de opvang. Ze zijn robuust en groeien overal. “Zet ze ergens neer en ze bloeien”, vat Fukkink samen. Daartegenover staan de orchideekinderen. Zij kunnen prachtig bloeien, maar stellen daarvoor wel hogere eisen aan hun omgeving. Wanneer een opvang daar niet aan kan voldoen, komen deze kinderen minder goed tot hun recht.

Wet Innovatie en Kwaliteit

Om ieder kind de best mogelijke opvang te kunnen bieden, heeft de Rijksoverheid kwaliteitseisen opgesteld waaraan kinderopvangorganisaties zich moeten houden. Als aanvulling op de bestaande eisen is op 1 januari 2018 de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) in werking getreden met als doel de kwaliteit en toegankelijkheid van de kinderopvang te verbeteren. De nieuwe wet focust op vier hoofdthema’s: de ontwikkeling van het kind centraal, veiligheid en gezondheid, stabiliteit en pedagogisch maatwerk, en kinderopvang is een vak. Volgens Knol brengt de IKK veel positieve elementen met zich mee. Zo wordt aan ieder kind een mentor toegewezen in de vorm van een pedagogisch medewerker die werkzaam is op de groep van het kind. Deze mentor is direct betrokken bij de ontwikkeling van een kind, kent hem of haar goed en is het aanspreekpunt voor de ouders. Dankzij de individuele aandacht worden mogelijke achterstanden tijdig gesignaleerd en besproken.

Beroepskracht-kindratio

Een andere maatregel verplicht iedere opvanglocatie om vanaf 2019 een hbo-geschoolde pedagogisch beleidsmedewerker in te zetten. Deze medewerker houdt zich bezig met het pedagogisch beleid en coacht de overige werknemers om zo de kwaliteit verder te verbeteren. “Dit soort ontwikkelingen zijn belangrijk om de sector verder te professionaliseren”, stelt Knol. Aan de andere kant waarschuwt ze ervoor om goed in de gaten te houden wat de implicaties zijn in de praktijk. Waar minder regeldruk het beoogde doel is van de Wet IKK, wordt door de sector veelal het tegenovergestelde ervaren. Zo introduceert de wet nieuwe regels rondom de beroepskracht-kindratio: het minimum aantal beroepskrachten dat aanwezig moet zijn voor een bepaald aantal kinderen. Voorheen mocht een opvang hier op flexibele wijze drie uur per dag van afwijken, omdat niet precies te voorspellen is wanneer kinderen worden gebracht en opgehaald, of hoe het die dag uitkomt met pauzeren. Volgens de nieuwe regel moet een organisatie van te voren op papier vastleggen wanneer die drie uur zullen zijn. “Daarmee ben je dus niet meer flexibel”, concludeert Knol. “Als iemand volgens de planning met pauze moet, maar een collega heeft zijn of haar handen vol met drie huilende kinderen, mag diegene niet even helpen.” Gebeurt dat namelijk wel, dan voldoet de organisatie niet aan de van tevoren doorgegeven tijdstippen waarop afgeweken mag worden van de beroepskrachtkindratio.

Tekort aan personeel

Knol pleit ervoor om binnen het streven naar kwaliteit ook te blijven vertrouwen in de professionals op de werkvloer en hen de ruimte te geven om te handelen in het belang van het kind op het moment dat dat nodig is. “Als je de regels voor de kinderopvang projecteert op het onderwijs, dan schiet je in de lach omdat het bijna niet te doen lijkt. Als sector moeten we steviger in onze schoenen staan en durven uitleggen waarom we de keuzes maken die we maken.” Daarbij is het cruciaal dat die professionals er zijn, waarschuwt Fukkink. Bezuinigingen tijdens de crisisjaren leidden tot ontslagrondes en hoewel de vraag naar kinderopvang zich heeft hersteld, is niet al het oude personeel teruggekeerd. Dit is niet eenvoudig goed te maken met de nieuwe mensen die nu kiezen voor een pedagogische opleiding. “We kunnen prachtige werkmodellen bedenken, maar binnenkort dreigt een tekort aan pedagogisch medewerkers om ze uit te voeren.” Hij adviseert de sector om zo snel mogelijk aan te kloppen bij hbo-instellingen om samen hbo-coaches aan te trekken. “Samen heb je stageplekken en honderden banen te bieden, met name in de randstad.” Met voldoende, goed opgeleid personeel kan de sector verder op weg naar innovatie en kwaliteit.