Voor 90 procent van de Nederlandse kinderen is het vanzelfsprekend dat zij dagelijks gebruik kunnen maken van het recht op onderdak, zorg en onderwijs. Bij de 10 procent die overblijft, is wel sprake van schending van deze en andere kinderrechten. Wat zijn belangrijke verbeterpunten?

Kinderrechten in Kinderrechtenverdrag

Er wordt nog onvoldoende naar kinderen geluisterd, vindt Noortje Beukeboom (20) van het jongerenbestuur van het Jeugd Welzijns Beraad (JWB). Medebestuurder Luka Mrak (17) sluit zich daarbij aan. “Er zijn genoeg gevallen waarin kinderen om hulp schreeuwen, maar niet worden gehoord.”

De kinderrechten zijn opgenomen in het Kinderrechtenverdrag, opgesteld door de Verenigde Naties (VN) in 1989. Er zijn vier kernrechten, van waaruit alle andere rechten in het verdrag moeten worden bekeken, licht Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer toe. Zo hebben alle kinderen recht op leven en ontwikkeling, mogen kinderen niet worden gediscrimineerd, moeten de belangen van kinderen een eerste overweging zijn bij alle te nemen besluiten, en moeten kinderen gehoord kunnen worden bij alle beslissingen die voor hen van belang zijn.

“Bijna alle landen hebben het verdrag ondertekend, maar onderling bestaan grote culturele verschillen. Wij zullen zeggen dat in Syrië en Afghanistan veel kinderrechten worden geschonden, terwijl ook deze landen het verdrag hebben ondertekend.” Het enige land dat dat niet deed, is de Verenigde Staten. Daar kunnen kinderen in enkele staten de doodstraf krijgen, terwijl dat volgens het Kinderrechtenverdrag niet is toegestaan.

Negentien verblijfplaatsen

Hoewel Nederland misschien geen land is dat direct wordt geassocieerd met schending van kinderrechten, komt het wel degelijk voor. Vaak is de schending gerelateerd aan de zorg van ouders voor hun kinderen en aan wat er gebeurt wanneer ouders in de problemen komen.

Wanneer een gezin bijvoorbeeld hoge schulden heeft, kan dat leiden tot een uithuiszetting. Dat is niet in het belang van het kind, legt Kalverboer uit. “Daarnaast heb ik gevallen gezien van kinderen in de jeugdhulp die soms wel negentien keer van verblijfplaats moesten wisselen. Dat is in strijd met het recht om op een veilige en stabiele plek op te groeien.”

Verder ziet ze dat kinderen lang niet altijd worden betrokken bij besluiten die over hen worden genomen. Hoewel dit formeel gezien wel gebeurt, wordt het echt luisteren naar wat kinderen belangrijk vinden volgens haar nogal eens overgeslagen en worden kinderen vaak niet serieus genomen. Beukeboom beaamt dit. “Ik vind het heel belangrijk dat kinderen voorop staan bij besluitvorming en worden betrokken bij alle beslissingen die over hen worden genomen. Naar mijn idee gebeurt dat nu niet altijd.”

Zelf gaf ze bij het verlaten van de jeugdhulp op haar achttiende aan dat ze graag nog ambulante begeleiding wilde ontvangen. Hulpverleners zeiden haar dat dat niet nodig was, omdat ze het alleen af kon. Toen ze eenmaal op zichzelf woonde, merkte ze toch behoefte te hebben aan die begeleiding. Ook Mrak vindt dat kinderen vaak niet voldoende inspraak hebben. Hij haalt een voorbeeld aan van een jongen die al twee jaar niet meer bij zijn ouders woonde.

Ondanks dat het goed met hem ging en hij al een tijd weer gewoon naar school ging, besloot de rechter dat hij nog niet terug naar huis mocht. “Zo blijft een kind gescheiden van zijn ouders, terwijl hij graag bij ze wil zijn en dat ook beter voor zijn ontwikkeling is. Hij heeft wel zijn zegje mogen doen bij de rechter, maar ik denk niet dat er voldoende naar hem is geluisterd.”

Kijken met een andere blik

Kalverboer merkt in haar werk dat kinderen met een heel andere blik naar de wereld kijken dan volwassenen. Wanneer input van kinderen bij volwassenen wordt neergelegd, zijn die laatsten zich van veel zaken niet bewust. Vanuit bestuurlijk perspectief wordt dus heel anders gekeken naar jeugdhulp dan wanneer een kind er zelf middenin zit.

De Kinderombudsvrouw vertelt hoe ze vorig jaar sprak met kinderen met een ouder in detentie. De kinderen gaven aan dat ze het fijn zouden vinden tijdens bezoekuren ook andere kinderen te zien die hun ouder komen opzoeken, zodat ze weten dat ze niet de enige zijn. “Er is dus wel voor gezorgd dat kinderen contact kunnen hebben met hun ouders, maar er wordt vergeten dat het voor hen erg ongemakkelijk kan zijn.”

Rol van de overheid

Beukeboom en Mrak wijzen beide op de verantwoordelijkheid van de overheid bij het naleven van kinderrechten. Dat Nederland in de Kids Rights Index niet meer in de top 10 staat, heeft vooral te maken met bezuinigingen en bureaucratie, denkt Beukeboom.

Als het bijvoorbeeld gaat om onderwijs, kan Nederland volgens haar een voorbeeld nemen aan Finland, waar alle docenten academisch zijn opgeleid en er meerdere leraren op een groep staan. “In Nederland zitten door de bezuinigingen nu dertig leerlingen in een klas met één docent. Hierdoor krijgen kinderen voor mijn gevoel niet genoeg aandacht.” Mrak ziet dat in de jeugdzorg geld eveneens een grote rol speelt. Zo verstrekt de overheid jeugdinstellingen maar voor een bepaalde termijn subsidie.

Daarna is er geen geld om een behandeling voort te zetten, terwijl sommige kinderen eigenlijk voor langere tijd hulp nodig hebben. Daarnaast worden kinderen soms geplaatst in instellingen waar ze niet horen. Iemand met psychiatrische problemen komt dan bijvoorbeeld terecht in een instelling voor pedagogische hulp.

Door kinderen met diverse problematieken bij elkaar te plaatsen ontstaan conflicten en ontvangen ze niet de juiste individuele hulp, waarschuwt Mrak. “Streeft de overheid ernaar individuen zo goed mogelijke hulpverlening te bieden? Daar twijfel ik aan. Ze streeft er misschien wel naar, maar het wordt lang niet altijd gerealiseerd.”

Rechten in het DNA

Mrak en Beukeboom pleiten voor meer voorlichting over kinderrechten, bijvoorbeeld door gastlessen op middelbare en basisscholen, zodat kinderen zich op hun rechten kunnen beroepen als dat nodig is. Kalverboer verwijst naar een onderzoek van een aantal jaar geleden naar kennis van kinderrechten bij kinderen over de hele wereld.

De Nederlandse jeugd scoorde daarin opvallend laag. “Voor een deel komt dat misschien omdat het goed gaat met hun rechten, maar daar kun je het niet mee afdoen”, vindt Kalverboer. Zowel in de basiseducatie als op hogescholen, universiteiten en beroepsopleidingen wordt niet of nauwelijks aandacht besteed aan kinderrechten.

Als gevolg hiervan hebben bestuurders en mensen in uitvoering binnen de jeugdzorg weinig kennis van het onderwerp. Omdat deze mensen een pedagogische opleiding gevolgd hebben, zullen ze over het algemeen goed handelen, benadrukt Kalverboer. Maar als het erop aankomt, kijken ze niet hoe ze het belang van kinderen volgens het verdrag goed kunnen onderzoeken.

Zij zouden zich meer moeten verdiepen in het verdrag en zich moeten aanwennen het toe te passen in alle situaties waarbij kinderen betrokken zijn. “Als je goed met rechten van kinderen omgaat, keer je altijd terug naar de vier basisprincipes. Het moet haast in je DNA gaan zitten om vanuit dat perspectief naar zaken te kijken.”