Sinds de ontdekking van het eerste antibioticum bijna negentig jaar geleden, heeft het geneesmiddel een groot effect gehad op de gezondheid en levensverwachting van mens en dier. Het gebruik ervan om infecties mee te behandelen is anno 2018 haast niet meer weg te denken uit het dagelijks leven. Tot ongeveer tien jaar geleden gold dat ook voor de Nederlandse veehouderij, waar antibiotica preventief aan diervoeder werden toegevoegd om de dieren gezond te houden. Toenemende bezorgdheid over resistente bacteriën plaatste de sector echter voor een uitdaging. Men moest op zoek naar de balans tussen ziektepreventie, dierenwelzijn, bedrijfsvoering en de volksgezondheid.

“Het gemak waarmee men vroeger massaal antibiotica kon toedienen, is verdwenen”, vat Henk Flipsen samen. Hij is directeur van de Nederlandse Vereniging voor de Diervoederindustrie (Nevedi) en heeft de veranderingen rondom antibioticumgebruik in de veehouderij van dichtbij kunnen volgen. Voorheen belde een veehouder met een paar zieke dieren de dierenarts. Wanneer deze constateerde dat het om een bacteriële infectie ging, was de volgende stap vaak het (preventief) toedienen van een antibioticum bij alle dieren. Hiervoor hoefde de veehouder enkel op basis van de dierenartsverklaring gemedicineerd diervoerder te bestellen waar het geneesmiddel in de fabriek al aan toegevoegd was.

Hoewel relatief makkelijk en effectief in het bestrijden van de infectie, bleek deze werkwijze een probleem met zich mee te brengen. Door het preventief toedienen van antibiotica aan gezonde dieren, werden deze geregeld blootgesteld aan hetzelfde type medicijn. Daarnaast kon men in diervoederfabrieken niet voorkomen dat een kleine hoeveelheid antibiotica terecht kwam in regulier diervoeder, waardoor dieren zelfs onbedoeld en zonder dat de dierhouder het wist kleine hoeveelheden ervan binnenkregen. “In 1990 kwamen experts al naar voren met de boodschap dat dit niet langer door kon gaan”, vertelt Hetty Schreurs, directeur van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit. “Hoe meer antibioticumgebruik in de veehouderij, hoe meer resistente bacteriën men tegenkwam in de sector.”

Afspraken

Kort gezegd houdt resistentie in dat bepaalde bacteriële infecties niet langer behandeld kunnen worden met het antibioticum dat hier normaalgesproken voor gebruikt wordt. Naarmate het bewustzijn hierover toenam binnen de dierhouderij, gingen er steeds meer stemmen op voor het aan banden leggen van het gebruik. “In principe hadden we in Nederland al jaren een systeem waarin antibioticumgebruik steekproefsgewijs werd vastgelegd. Dat vond men echter niet langer voldoende”, aldus Schreurs. Het gebruik van ieder bedrijf moest inzichtelijk worden, om zo veehouders en ook voorschrijvende dierenartsen onderling te kunnen vergelijken.

Naast veehouders die bezorgd waren over resistente bacteriën bij hun dieren, mengde ook de overheid zich in de strijd tegen antibioticumgebruik. In theorie is resistentie namelijk geen probleem, zolang nieuwe antibiotica ontwikkeld kunnen worden. Helaas werd wereldwijd gemeld dat er niets nieuws meer in de pijplijn zit. En wat er nog wel in ontwikkeling is, mag enkel gebruikt worden voor de mens. “Mensen lijken meer op dieren dan we soms willen toegeven”, legt Schreurs uit. Veel antibiotica die voor de mens geregistreerd zijn, hebben ook een variant voor dieren. Wanneer een bacterie bij dieren ongevoelig voor het antibioticum wordt, betekent dat dat ook de menselijke variant niet langer werkt. Een boer die bijvoorbeeld via mest een infectie oploopt door een resistente bacterie, kan dan niet langer behandeld worden.

Vandaar dat de overheid, dierenartsen en dierhouderij in 2008 samen afspraken maakten die moesten leiden tot minder en verantwoord antibioticumgebruik. Om te helpen bij het realiseren van de afspraken, werd in 2010 de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit opgericht als onafhankelijke toezichthouder. Ook binnen de diervoederindustrie was de wens ontstaan om bij te dragen en in 2012 besloot men om per direct te stoppen met het al in de fabriek verwerken van antibiotica in diervoeders. Sindsdien moeten dierhouders die antibiotica willen toedienen via het voer dit op recept van een dierenarts later zelf toevoegen. Dit alles niet zonder resultaat. In 2013 werd de doelstelling van 50 procent minder antibioticumgebruik ten opzichte van 2009 behaald. In 2015 had het 70 procent moeten zijn, maar dat is nog niet in alle sectoren gelukt. Volgens de meest recente cijfers heeft de aanpak in de periode van 2009 tot en met 2016 geleid tot een vermindering van het antibioticumgebruik met 64,4 procent.

Voorkomen in plaats van genezen

Dat het moeilijk is gebleken het gebruik verder omlaag te brengen, kan deels verklaard worden door het feit dat antibiotica in de basis zeer effectieve en relatief betaalbare middelen zijn om ziekten bij dieren te behandelen. Flipsen geeft aan dat de grote reductie in antibioticumgebruik een mooie prestatie is, maar wijst erop dat veehouders hun dieren nog steeds gezond moeten houden. “De sector begrijpt heel goed dat resistentievorming onwenselijk is. Maar wat gebruikt men dan wel?” Het antwoord bestaat uit meerdere delen, denkt hij. Het eerste deel heeft niet zozeer te maken met minder antibioticumgebruik, als wel met een meer verantwoorde wijze van toedienen. “Voor ieder antibioticum dat vroeger in diervoeder verwerkt werd, heeft men een wateroplosbare variant ontwikkeld die via het drinkwater kan worden toegediend.”

Ook bestaan er zogeheten top dressings waarmee de veehouder het geneesmiddel zelf als sausje aan het voer kan toevoegen. Beide varianten maken het mogelijk om gericht met medicijnen te behandelen zonder dat gezonde dieren er onbedoeld aan worden blootgesteld. Een ander deel van het antwoord is preventie. De beste manier om te voorkomen dat men veelvuldig antibiotica moet voorschrijven, is ervoor zorgen dat dieren in de eerste instantie zo min mogelijk ziek worden. Dat vraagt om voldoende specifieke kennis over het dier en diens behoeften. Door te weten wat de optimale leefomstandigheden zijn, kan een veehouder zijn of haar dieren zo gezond mogelijk houden. Hierbij spelen onder andere hygiëne, inrichting van de stal, waterkwaliteit en contact met andere dieren een rol. Ook het voeder dat een dier voorgeschoteld krijgt kan veel impact hebben op de gezondheid. “Als je weet dat jonge dieren veel stress ervaren wanneer ze van hun moeder worden gescheiden, is het belangrijk om op dat moment het juiste voer te geven dat ze heel makkelijk kunnen opnemen”, legt Flipsen uit. Op die manier wordt de darmgezondheid en daarmee de weerstand van de dieren bevorderd.

Onderlinge verschillen

Volgens Schreurs is het niet verwonderlijk dat het sommige sectoren binnen de veehouderij beter lukt om minder antibiotica te gebruiken dan andere. Ze wijst met name op het wezenlijke verschil tussen de melkveehouderij enerzijds, en kalveren, varkens en pluimvee die vlees leveren anderzijds. Melkvee bestaat uit stabiele, volwassen dieren. De vleeskalveren, varkens en pluimvee worden daarentegen verkocht op het moment dat ze nog jong en kwetsbaar zijn. “Deze jonge dieren moeten hun weerstand nog opbouwen, waardoor het risico op infecties groter is.” De houders van deze dieren moeten dagelijks lastige beslissingen nemen, merkt Flipsen op. Ze zijn zich bewust van de risico’s rondom resistentie op de lange termijn, maar moeten op de korte termijn ook een bedrijf draaiende houden. “Een boer kan wel investeren in de mooiste, schoonste stal en het perfecte voer om zijn of haar dieren zo gezond mogelijk te houden. Maar wanneer hierdoor de kostprijs omhoog gaat en die van de andere boeren niet, gaat het bedrijf met gezonde dieren en al ten onder.”

Wat dierhouders zou moeten helpen bij het afwegen van de mogelijkheden, is de expertise van verschillende erfbetreders – de mensen die boeren op het erf adviseren. De dierenartsen en voederleveranciers, maar ook accountants en bedrijfsadviseurs waarmee een veehouder samenwerkt, brengen kennis met zich mee waarop de boer verder kan bouwen. Dit is echter in theorie. “In de praktijk is een boer vaak in gesprek met meerdere voederleveranciers tegelijk die allemaal zeggen het beste voer te hebben. En met een beetje pech zijn er ook verschillende dierenartsen die elkaar tegenspreken over wat het beste is voor de dieren”, aldus Flipsen. “De dierhouder moet uiteindelijk zelf uit alle beïnvloeders de beste kiezen.”

Hij meent dat een gegarandeerd financieel resultaat een handvat zou kunnen bieden voor veehouders bij tegenstrijdige adviezen rondom ziektepreventie- en bestrijding. Een groep die in principe bereid is hun antibioticumgebruik nog verder terug te dringen, maar hier bedrijfstechnisch of -economisch niet voldoende vertrouwen in heeft, zou op deze manier overtuigd kunnen worden. Om dat te bereiken zou men een soortgelijke constructie kunnen overwegen als bij biologische producten: de consument krijgt de mogelijkheid bewust te kiezen voor producten van dieren die zo min mogelijk onnodig antibiotica toegediend hebben gekregen. In ruil daarvoor betalen ze een iets hogere prijs. Volgens Flipsen zou het sowieso goed zijn wanneer consumenten zich beter bewust zijn van de achtergrond van de dierlijke producten die ze kopen. Alleen dan kan van hen gevraagd worden om een geïnformeerde keuze te maken en te betalen voor wat zij belangrijk vinden – of dat nu dierenwelzijn is, medicijngebruik, het klimaat of de eigen portemonnee.

Minder resistentie

Hoewel de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit zich blijft inzetten voor nog minder antibioticumgebruik, gebeurt dat vanuit een praktisch standpunt. Schreurs: “In bijna alle sectoren doen heel veel veehouders het erg goed. Dat betekent echter niet dat antibiotica nooit meer gebruikt worden, want als je een bepaald aantal dieren bij elkaar houdt, moet je accepteren dat het af en toe nodig is om ze te behandelen.” Dit af en toe toedienen van medicijnen aan zieke dieren valt onder ‘aanvaardbaar gebruik’. De focus voor de toekomst ligt dan ook bij die bedrijven die om welke reden dan ook nog relatief veel dagdoseringen antibiotica gebruiken in vergelijking met collega’s. Waar Schreurs zelf naar uitkijkt is de verdere afname van het aantal resistente bacteriën in de dierhouderij.

“Toen we begonnen met het terugdringen van antibioticumgebruik wisten we zeker dat meer gebruik leidt tot meer resistentie. De vraag was echter, leidt minder gebruik ook tot minder resistentie?” Het geneesmiddel zelf vormt immers geen bedreiging voor de volksgezondheid. Als mens zul je in Nederland geen antibiotica binnenkrijgen via de dierlijke producten die je eet, omdat het gebruik ervan bij dieren veilig volgens de regels verloopt. Het wordt pas een probleem voor de volksgezondheid op het moment dat resistente bacteriën ontstaan die zich van dier naar mens kunnen verplaatsen. “Gelukkig is gebleken dat het aantal bacteriën onder landbouwhuisdieren dat ongevoelig is voor antibiotica inderdaad is afgenomen sinds het antibioticumgebruik verminderd is. Als we dat een aantal jaar volhouden, kunnen we in de toekomst wellicht weer terugvallen op soorten antibiotica die we vroeger gebruikten.”