Laboratoriumonderzoek is kortgezegd onderzoek dat aan de hand van een analyse van menselijk lichaamsmateriaal accurate informatie biedt over gezondheid of ziekteproces. Dit onderzoek vindt buiten het lichaam ofwel in vitro, plaats. IVD’s of In Vitro Diagnostica zijn hoogwaardige medische testen of technologie voor dit onderzoek.

Hoewel wordt beweerd dat laboratoriumonderzoek duur zou zijn, bedraagt de omzet van IVD’s in Nederland slechts 0,4 procent van het totale budget voor gezondheidszorg. De resultaten van laboratoriumonderzoek zijn van invloed op ongeveer 70 procent van alle medische beslissingen. Dat rechtvaardigt de stelling dat effectief gebruik van IVD’s het zorgproces kan verbeteren: een hogere kwaliteit tegen lagere kosten.

Laboratorium Informatie Systeem

Bovenstaande is een beknopte samenvatting uit de inleiding van de oratie die prof. dr. Christa Cobbaert hield bij haar aanstelling als hoogleraar bij de afdeling Klinische chemie en laboratoriumgeneeskunde van het LUMC in Leiden. Daarbij kijkt ze bovendien verder dan alleen haar eigen keuken. “Het allerbelangrijkste vind ik dat we op metaniveau meer met elkaar gaan samenwerken en ontwikkelen – en dat geldt voor alle ondersteunende diagnostische disciplines.

Wij werken met een LIS (Laboratorium Informatie Systeem), dat we voorzien van uitslagen die ook in het ZIS (Ziekenhuis Informatie Systeem) komen.” De huidige informatiesystemen zijn vooral gericht op registratie van verrichtingen en laten onvoldoende uitwisseling van medisch relevante gegevens toe. Niet binnen het ziekenhuis en niet tussen ziekenhuizen onderling. In de visie van Cobbaert wordt te weinig gedacht vanuit de patiënt en de klinische zorgpaden. Resultaten van medische testen beschikbaar stellen in een nationale cloud met gewaarborgde toegangsautorisatie voor de behandelaren zou sterk kunnen bijdragen aan betere zorg.

Ecosysteem op de schop

Eigenlijk maakt het voorbeeld deel uit van een grotere visie van Cobbaert, waarbij het hele ecosysteem van de zorgsector op de schop gaat. Het in een gevorderd stadium bestrijden van ziekten dient plaats te maken voor Preventie, Personaliseren van diagnoses en therapie, en betere Predictie met Participatie van patiënten, samengevat als P4-zorginnovatie.

Met de huidige stand van de technologie kunnen in een vroeg stadium ziekte-specifieke merkstoffen (bijvoorbeeld proteoforms) in bloed of urine gemeten worden, waardoor vroegdiagnostiek en precisiegeneeskunde mogelijk worden. Andere medische testontwikkelingen laten toe om gericht subgroepen van patiënten te selecteren die baat hebben bij een specifieke behandeling. Voor snelle vertaling van deze nieuwe ontwikkelingen naar de kliniek zijn trans-sectornetwerken met alle stakeholders van het traject ‘biomarker – medische test’ noodzakelijk.

Centralisatie van complexe diagnostiek

Prof. dr. Ed Schuuring, klinisch moleculair bioloog in de pathologie (KMBP) aan het UMCG te Groningen, deelt het belang van intensievere samenwerking en centralisatie van complexe diagnostiek. “Binnen de oncologie is behandeling met standaard chemotherapie nog altijd vrij algemeen. Terwijl we innovatieve geneesmiddelen hebben die specifiek ingrijpen op genetische veranderingen in tumoren met veel minder bijwerkingen.” Dit wordt targeted therapy of therapie op maat genoemd. Schuuring legt uit dat het tegenwoordig mogelijk is om een genetisch profiel te schetsen van de tumor om te bepalen welk middel tegen de specifieke genetische verandering is in te zetten.

In 2014 waren er 54 dergelijke geneesmiddelen; dit aantal neemt maandelijks toe. Om alle genetische veranderingen in beeld te brengen, is geavanceerde, dure technologie met hoge kwaliteit nodig. Zo duur, dat het niet meer op alle pathologielaboratoria toegepast kan worden. Hoewel de IVD’s maar 0,4 procent van het totale gezondheidszorgbudget bedragen, drukken de relatief hoge kosten van laboratoriumonderzoek enorm op het budget van labs waar deze testen verricht worden. De technologie is naast kostbaar ook dermate complex, dat maar een paar labs in het land dit kunnen aanbieden. Dat dwingt tot samenwerking en uitwisseling van kennis, gegevens en ervaringen. Schuuring ziet echter ook dat door deze snelle ontwikkelingen nog veel onbekendheid heerst bij oncologen. Daardoor wordt nog niet elke kankerpatiënt getest op alle genetische veranderingen waarvoor targeted therapy beschikbaar is. “Innovatie is niet alleen technologie, maar ook het uitdragen van dit nieuwe vakgebied”, aldus Schuuring.

Innovaties en samenwerking

Intensievere samenwerking met het klinisch chemisch lab is een ander voorbeeld dat Schuuring geeft. Dankzij innoverende imaging, zoals CT en MRI, worden biopten vaak zo klein dat er te weinig tumorweefsel is voor histologisch en genetisch onderzoek. Dat is nodig voor het bepalen van de optimale behandeling. Er is een alternatief: het blijkt dat tumoren genetisch materiaal uitscheiden in de bloedbaan.

Dat biedt mogelijkheden om tumor-specifieke genetische veranderingen in het bloedplasma te detecteren en daarmee een behandeladvies te geven. “Het gaat om heel kleine hoeveelheden, maar ik denk dat deze complexe technologie binnenkort een belangrijke plek krijgt in de diagnostiek.” Daarmee kan bij kankerpatiënten via materiaal uit een buisje bloed eenvoudig gemonitord worden of de aangeboden therapie effect heeft of aangepast zou moeten worden.

De uitwisseling en samenwerking worden ook herkend door prof. dr. Paul Savelkoul, hoogleraar medische microbiologie aan het MUMC+ in Maastricht en VUmc te Amsterdam. Een ontwikkeling in de microbiologie is dat veel richting moleculaire diagnostiek gaat: daar is meer diagnostiek mogelijk en in samenhang wordt het ook andere diagnostiek. “Door de technologische innovaties in de moleculaire diagnostiek is ook ons veld verbreed.

Je krijgt convergentie van technologieën”, licht hij toe. Het is simpelweg goedkoper als verschillende soorten laboratoria meer in elkaar schuiven. Ook binnen de microbiologie ziet Savelkoul een verschuiving. Resultaten die in het moleculaire lab worden behaald, geven voor de microbiologie nieuwe applicaties en mogelijkheden. “Je weet nu wat je zou moeten vinden, en daar kun je je kweek op toespitsen.” Daarnaast wordt de kweek steeds meer geautomatiseerd. Dat geeft niet veel tijdwinst, maar wel worden bepaalde bacteriën in een kweek sneller door een computer herkend.

(R)evolutie

Dit alles levert volgens Savelkoul veel op. De doorlooptijd wordt korter zodat therapieën sneller gegeven kunnen worden. De therapie zal bovendien adequater zijn, omdat een diagnose eerder en preciezer gesteld kan worden. Waar de microbiologie voorheen gericht was op het vinden van het pathogeen – het ziekmakende micro-organisme – wordt nu ook gekeken naar micro-organismen die ons juist gezond houden. “Een andere manier van kijken. Ons vak verandert sterk”, ervaart Savelkoul. “We kunnen bijvoorbeeld beter beoordelen wat het effect van antibiotica is. De werking op het pathogeen is bekend, maar het effect op de rest van het lichaam niet.” Mogelijk is dat effect persoonspecifiek; dat valt nu te meten. Op die manier is het mogelijk gerichter therapie te bieden en de patiënt gerichter te monitoren.

Toch een kleine revolutie dus: alle data zal vroeg of laat een andere geneeskunde detecteren. Onze gezondheidszorg en financiering zal daar de komende tijd op voorbereid moeten worden.