Verpleeghuizen ontvangen vanaf 2018 jaarlijks 435 miljoen euro, bedoeld voor het aantrekken van meer personeel. Nog dit jaar zullen zij 100 miljoen euro extra krijgen. Dat heeft het demissionair kabinet besloten, meldde (demissionair) staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid) 4 juli jl. aan de Tweede Kamer.

Ruim een jaar geleden publiceerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een lijst met ondermaats functionerende verpleeghuizen, waar bijvoorbeeld onvoldoende op kwaliteit en veiligheid van de zorg werd aangestuurd. In een van die huizen woonde de moeder van schrijver Hugo Borst. Hij schreef daarop een open brief aan Van Rijn, die een stroom aan reacties ontlokte en uiteindelijk leidde tot het in oktober 2016 door Borst en Carin Gaemers gepresenteerde manifest ‘Scherp op ouderenzorg’ (zie kader), waarin zij de regering opriepen verantwoordelijkheid te nemen voor de misstanden in de verpleeghuiszorg.

Investeringen na bezuinigingen

De investering waartoe het kabinet heeft besloten, komt als reactie op onder meer het manifest. Zorginstituut Nederland (ZIN) stelde het ‘Kwaliteitskader verpleeghuiszorg’ vast en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) berekende vervolgens de kosten van de gewenste verbetering. Dit kwaliteitskader is juridisch bindend, waardoor een volgend kabinet de investeringen niet kan terugdraaien. De zorgkantoren en de NZa hebben aangegeven hun investeringen en ontwikkelplannen te zullen baseren op het kwaliteitskader.

De ambitie om de verpleeghuiszorg te verbeteren is groot, aldus van Rijn. “De huidige groep ouderen stelt nieuwe eisen. Goede zorg is belangrijk, maar niet genoeg: een verpleeghuis moet ook een fijn thuis zijn, met liefdevolle aandacht van het personeel, zinvolle dagbesteding en goed eten.” Hij benadrukt dat medewerkers meer tijd en aandacht moeten kunnen geven aan hun bewoners. De investeringen volgen op jarenlange bezuinigingen in de langdurige zorg, waardoor verzorgingshuizen hun deuren moesten sluiten, veel zorgprofessionals hun baan verloren en de drempel voor ouderen om naar een verpleeghuis te kunnen verhuizen, hoger kwam te liggen.

Dit merkte ook Marita de Kleijne, verzorgende individuele gezondheidszorg (VIG). Zij werkt al jaren met plezier in de verpleeghuiszorg en heeft het werk zien veranderen, van taakgericht naar meer vraaggericht. “De complexiteit van het werk is toegenomen, doordat mensen later in een verpleeghuis komen, vaak met meervoudige aandoeningen.” Tijdens deze kanteling onderging de verpleeghuiszorg forse bezuinigingen. Tijd is daardoor geregeld de vijand; er moet met strakke schema’s gewerkt worden waardoor niet altijd ruimte is voor onverdeelde aandacht.

“We moeten altijd meer en sneller, en het wordt normaal gevonden om structureel over te werken. In deze tijd met steeds complexere zorgvragen gaat dat niet meer. Dan kun je de beoogde kwaliteit niet leveren.” Van Rijn schrijft in te schatten dat met de nieuwe financiële middelen reeds volgend jaar 7000 extra medewerkers fulltime aan de slag kunnen. De Kleijne vraagt zich af of er voldoende aanwas zal zijn, en of dit bedrag toereikend is.

Kwaliteitskader

Het kwaliteitskader betreft alle geclusterde woonvormen waar verpleegzorg plaatsvindt. De belangrijkste pijlers van het nieuwe kader zijn ‘leren en verbeteren’, ‘basisveiligheid’ en ‘cliëntwaardering’, vertelt Jan Kremer in een webinar over het Kwaliteitskader. Kremer, voorzitter van de kwaliteitsraad van het ZIN, die het kader opstelde, en hoogleraar innovatie aan het Radboudumc, legt uit wat eraan voorafging.

“Mensen worden ouder en als ze naar een verpleeghuis gaan, is de zorg complexer en zwaarder. Daarom was het tijd om in beeld te brengen wat goede zorg is.” Door een toenemende focus op protocollen en standaardisatie zag het Zorginstituut de bezieling verdwijnen bij werknemers in de verpleeghuiszorg, terwijl de behoefte aan een persoonsgerichte benadering juist groeide bij mensen die verpleeghuiszorg nodig hebben. Het kwaliteitskader moet gelden als kompas en beschrijving van wat goede verpleeghuiszorg inhoudt, vult Margje Mahler, projectleider bij het ZIN, aan.

Het kader heeft tot doel, legt Kremer uit, vastleggen wat burgers en cliënten mogen verwachten van de verpleeghuissector, en vastleggen wat zorgprofessionals minimaal moeten doen om goede zorg te leveren, zodat ook zij weten waar ze aan toe zijn. Verwacht wordt dat bestuurders medewerkers ruimte zullen geven om meer verantwoordelijkheid te nemen om zelf de keuze af te wegen.

Daarnaast wordt minder nadruk op bureaucratie verwacht, vertelt Mahler. “Omdat ook andere partijen dit kader als basis gebruiken, is de verwachting dat aparte lijstjes (vanuit inspectie of zorgkantoor) niet meer nodig zullen zijn.” Tot slot moet de inbreng van de cliënt, diens naasten en de professional een duidelijkere plaats krijgen.

Blijvende bureaucratie

De wens is om de zorg te verbeteren door betere kennis en kunde bij het personeel mogelijk te maken, stelt De Kleijne. Ze herkent de behoefte aan persoonsgerichte zorg. Het opnieuw bespreken van de waarden daarvan is dan een waardevolle mogelijkheid.

“Met het kwaliteitskader aan de hand, kun je hierover in teamoverleg in gesprek gaan. Dat kan een eyeopener zijn.”
De bureaucratische en administratieve complexiteit van de langdurige zorg vormt echter een obstakel. Een voorbeeld hiervan zijn de zorgzwaartepakketten (ZZP’s). Om langdurige zorg vergoed te krijgen, kunnen ouderen een beroep doen op de Wet langdurige zorg (Wlz), waarvoor een indicatie aangevraagd moet worden.

Door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt een ZZP toegekend, waarin wordt bepaald welke zorg en ondersteuning iemand nodig heeft. Zorgvragen zijn veranderd; bij het aanvragen van een indicatie hebben mensen vaak zowel fysieke als psychische aandoeningen, maar de ZZP’s zijn niet mee veranderd. Integendeel, mensen worden eerder láger ingeschaald, ziet De Kleijne. “Het kost veel moeite de ZZP’s aangepast te krijgen wanneer de situatie van een cliënt verslechtert en de zorgvraag verandert.”

Of het kwaliteitskader hier iets aan zal veranderen, is maar de vraag. “Het is een mooi instrument om de kwaliteit te verhogen, maar alleen als ook de ZZP’s veranderen.” Het kan per dag verschillen wat iemand precies nodig heeft: zorg draait om mensen, en mensen zijn nu eenmaal moeilijk in een hokje te plaatsen. Vanuit de NZa zal hierover dit najaar een onderzoek starten, op basis van het kwaliteitskader.

Zorg thuis

Wordt met deze investering ook rekening gehouden met langdurige zorg thuis? De meeste (en steeds meer) ouderen in Nederland wonen immers thuis en de druk op thuiszorg en mantelzorgers is fors toegenomen. Veel ouderen hebben in de thuissituatie zorg nodig, stelt ook Sonja Kersten van de beroepsvereniging voor verpleegkundigen en verzorgenden (V&VN) in een schriftelijke reactie op de plannen van Van Rijn.

Zij hoopt dat de politiek naar de ouderenzorg als geheel wil kijken en ook in de zorg thuis zal investeren in het aantrekken van mensen. Het ZIN is zich ervan bewust dat verpleeghuiszorg steeds vaker in de directe woonomgeving van cliënten wordt geleverd, staat in het kwaliteitskader, en hoopt dat de ontwikkelingen in de thuiszorg en wijkverpleging worden verbonden met de verpleeghuiszorg. “Ook moet voldoende geld gaan naar verbeterde samenwerking met disciplines als de specialist ouderengeneeskunde, logo-, ergo- en fysiotherapeuten, diëtisten en geestelijke verzorgenden”, besluit De Kleijne.

Zal deze investering in combinatie met het nieuwe kwaliteitskader het tij kunnen keren voor de langdurige zorg? Kansen voor verbeteringen zijn er zeker, met alle aandacht die er is gekomen voor de langdurige zorg en het kwaliteitskader als officieel en bindend document. De beroepsgroep is bovendien volwassener geworden en neemt zelf grotere verantwoordelijkheid.

Kwaliteit van zorg wordt door steeds meer partijen als essentieel gezien. Maar gouden bergen verwacht De Kleijne niet. “Geld blijft een struikelblok. Daarbij, meer dan om de inzet van extra poppetjes, gaat het om de samenstelling en het samenspel van het team, waarbij alle disciplines van belang zijn. Ik hoop op een ander financieringssysteem en meer ruimte voor gesprek, reflectie en scholing.” Deze elementen zijn essentieel om goede zorg uit te kunnen oefenen, en zouden er voor kunnen zorgen dat meer mensen hier weer hun beroep van willen maken. “Het is tenslotte een vak om trots op te zijn.”

Dit artikel is verschenen in het magazine Mijn Gezondheidsgids – editie 1.