Iedereen vindt het fijn om een zekere mate van eigen regie te kunnen voeren en om uitgedaagd te worden. Dit is niet anders voor mensen die gekwalificeerd worden als kwetsbare mensen, zoals ouderen, mensen met psychische problemen en lichamelijk beperkten. Wat dit precies inhoudt, kan echter wel verschillen per persoon. Belangrijk is daarom om dit altijd per individu te bekijken en de juiste balans te zoeken tussen uitdagen en overvragen. Wanneer iemand gezien wordt als kwetsbaar is een complexe en ingewikkelde vraag, stelt Marjanneke Ouwerkerk, directeur Stichting Presentie.
“Kwetsbaarheid is iets van ons allemaal en is niet enkel toe te schrijven aan specifieke groepen mensen. Het is inherent aan het leven en iedereen krijgt er vroeg of laat mee te maken omdat iedereen een keer in een afhankelijke positie komt. Bovendien is het geen statisch gegeven, wat eenduidig vastgesteld kan worden.” Dit wordt beaamd door Kitty van Elst, voormalig manager in de zorg en beoogd bestuurslid bij Ypsilon, de vereniging van familieleden van mensen met een verhoogde kwetsbaarheid voor psychose, en tevens ervaringsdeskundige als zus. Ze voegt daaraan toe dat mensen kwetsbaar kunnen zijn door een eigen psychiatrische aandoening of door bijvoorbeeld ouderdom, maar dat kwetsbaarheid ook kan worden gecreëerd binnen de maatschappij door de eisen die we aan elkaar stellen, zoals dat gebeurt bij zwerfjongeren en asielzoekers.

Overnemen vs. loslaten

Omdat grote groepen kwetsbare mensen in hokjes worden geplaatst zonder te kijken naar wat zij als individu kunnen en willen doen, leven zij veelal onder hun vermogen, vertelt Van Elst. Er zit dan meer in, mensen kunnen bijvoorbeeld bepaalde dingen wel zelf beslissen of doen, maar dat wordt niet gezien omdat dingen snel worden overgenomen. Een voorbeeld hiervan is kinderen met het Rett-syndroom. Deze ondervraging kan gepaard gaan met ernstige gevolgen. “Mensen worden dan niet serieus genomen en niet erkend. Hierdoor kan iemands ontwikkeling stagneren of zelfs achteruitgaan, en dat zie ik als verwaarlozing.” Uitgedaagd blijven, in welke vorm dan ook, is volgens haar belangrijk voor de ontwikkeling van ieder mens. Ouwerkerk vertelt over de andere kant van de medaille en stelt dat kwetsbare mensen soms ook juist te veel ‘losgelaten’ worden. ‘Kwetsbaarheid’ wordt in de huidige maatschappij vaak gezien als onwaarde. Er wordt een eenzijdige nadruk gelegd op zelfredzaamheid. Ze beschrijft dit als een doorgeschoten reactie op een vastlopend zorgsysteem en de angst voor ‘overzorgen’. De focus op de eigen regie en het dingen niet uit handen willen nemen, is goed. Als dat, op ideologische gronden, te ver wordt doorgevoerd kan het er echter ook toe leiden dat de mensen die een steuntje nodig hebben om op eigen kracht te kunnen staan, deze niet krijgen en eigenlijk in de steek gelaten worden.

Kijken naar wat kan

Beide experts vinden dat de juiste balans moet worden gevonden tussen wat iemand zelf kan (diens kracht) en wat hij of zij enkel kan doen met hulp (diens kwetsbaarheid). Van Elst geeft aan dat het antwoord op wat iemand kan, bij de persoon zelf ligt. Zij weten zelf het beste wat ze kunnen en willen en daarom moet hier altijd naar gevraagd en geluisterd worden, daarnaast is het belangrijk om ook de ervaringen van de familie/ naasten hierin mee te nemen. Daarna kan dan gekeken worden wat de mogelijkheden zijn. Belangrijk hierbij is dat men de kwetsbaarheid niet wil oplossen en dat er voldoende ruimte is voor het ‘anders zijn’. Om ervoor te zorgen dat de juiste balans wordt gevonden tussen het uitdagen en overvragen, moet diegene die ondersteuning biedt echt een relatie met de kwetsbare persoon aangaan. Hij of zij moet dicht bij diegene staan en daar ook blijven. De ondersteuner moet snappen hoe het leven van diegene die steun nodig heeft eruitziet en alleen daar hulp bieden waar het nodig is. Ouwerkerk: “Iedereen heeft iemand nodig die zich om je bekommert, die je erkent, je een steuntje in de rug geeft, maar je ook het gevoel geeft dat je mag falen.” Het gevoel hebben dat iemand over je waakt en dat je terug mag vallen wanneer dat nodig is, kan essentieel zijn voor kwetsbare mensen om de uitdaging aan te gaan om meer zelf te doen.

Een voorbeeld uit de praktijk

Dit wordt beaamd door het verhaal van Karin Dekkers (47 jaar). Karin werd op haar vierentwintigste gediagnosticeerd met borderline. “Op zich kwam de diagnose niet geheel onverwachts; ik heb nooit een veilige thuishaven gehad. Mijn moeder had psychische problemen en zij en mijn vader waren altijd ziek.” Toen Karin op haar zesentwintigste een suïcidepoging deed, kwam ze in een ggz-instelling terecht. Op haar veertigste kon ze beschermd gaan wonen in een RIBW. Een lange periode vond ze het samenwonen met anderen erg prettig en had ze de intensieve steun hard nodig. Door begeleid te wonen, droeg zij niet alleen de verantwoordelijkheid voor haar leven en kon ze veel dingen samendoen, zoals het huishouden, legt ze uit. Nadat ze ruim vijf jaar beschermd gewoond had, besloot ze dat ze toe was aan de volgende stap. “Ik had heel erg behoefte aan een plekje voor mijzelf. Waar ik kon doen en laten wat ik wilde, zonder afhankelijk te zijn van anderen.”

Toen ze deze beslissing genomen had, ging ze op zoek naar een eigen woning. Een jaar later kon ze haar nieuwe huisje betrekken. Tijdens het jaar van haar zoektocht is haar begeleiding langzaam afgebouwd, zodat de overgang niet te groot zou zijn. En, zo legt ze uit, gedurende het eerste jaar dat ze ambulant woonde, had zij nog wel een begeleid wonen-indicatie, zodat ze, mocht het nodig zijn, terug kon vallen op beschermd wonen. Ze vertelt dat ze nooit echt op zichzelf had gewoond en dat het daardoor erg spannend was. Door het gevoel er niet alleen voor te staan, had ze toch een veilig gevoel. Karin is erg blij dat ze de stap gezet heeft om ambulant te gaan wonen. Vooral het ‘zelf mogen kiezen’ vindt ze fijn. Toch is ze ook erg blij met de begeleiding die ze nu nog steeds krijgt. Zo komt één keer per week haar zakenwaarnemer langs. Maar belangrijker nog; op momenten dat het niet gaat, kan ze altijd bellen en dan komt er direct iemand langs. “Er is altijd een vangnet voor als het even niet meer gaat. Als ik die niet zou hebben, zou het in één keer wel heel veel zijn.” Door deze manier van steun is Karen ervan overtuigd dat ze op dit moment de juiste hoeveelheid uitdaging gevonden heeft in het op zichzelf wonen, waarbij de ambulante steun ervoor zorgt dat ze niet overvraagd wordt. Al kijkt ze wel al uit naar de volgende stap, wanneer ze helemaal zonder begeleiding kan wonen. Dat is echter een uitdaging voor later, zo besluit ze.