Voor menigeen is de stap vanuit de ggz naar beschermd wonen te groot. Er is, zo stellen Federatie Opvang, RIBW Alliantie en GGZ Nederland, behoefte aan een integrale dienstverlening waarin behandeling, begeleiding, ondersteuning en opvang naadloos op elkaar aansluiten. Door het verder ontwikkelen van de al bestaande samenwerking verwachten de organisaties een betere, doelmatiger en toegankelijker zorg te kunnen realiseren. Wie uitbehandeld is binnen de ggz maar nog niet zelfstandig kan wonen, komt in aanmerking voor beschermd wonen. Maar als sprake is van een zeer complexe zorgvraag is veelal extra begeleiding nodig om die stap te kunnen maken. Daarbij komt dat als mensen al jaren binnen een ggz-instelling hebben gewoond, er vaak sprake is van hospitalisering. De instelling wordt dan gezien als ‘thuis’ en verandering van die vertrouwde omgeving kan leiden tot onrust en angst. Binnen de ggz en beschermd wonen wordt het probleem van de overstap herkend en erkend.

De overstap maken

Steeds meer zorgorganisaties proberen daarom al geruime tijd voor de overgang de cliënt kennis te laten maken met de nieuwe situatie. Bijvoorbeeld door hen samen met hun vaste ggz-begeleider een bezoek te laten brengen aan hun toekomstige woonruimte binnen het beschermd wonen. Ook komt het voor dat de begeleiders binnen het beschermd wonen naar de ggz-instelling komen om daar te spreken met hun toekomstige cliënt. Door zo geleidelijk te wennen aan de verhuizing, de nieuwe woonruimte, de medebewoners en de nieuwe begeleiders wordt de verandering makkelijker. Zorgexperts verwachten echter dat voor sommige cliënten ook die geleidelijke overstap te groot is. “Ideaal zou zijn als er een tussenstap, een mengvorm van ggz en beschermd wonen, kan worden gerealiseerd”, stelt Bas Steenbergen, expert op het gebied van onderzoek en ontwikkeling van beschermd woonvormen. Binnen zo’n overgangsfase zijn op dezelfde locatie zowel medewerkers van ggz als van beschermd wonen aanwezig om de cliënten te begeleiden. Waar die overgangsfase wordt geboden, op het terrein van de ggz-instelling of op een aparte locatie van beschermd wonen, is op zich niet van belang. “Het gaat er vooral om dat de zorgverleners waarmee de cliënten bekend zijn en hun nieuwe begeleiders allebei aanwezig zijn om de focus op herstel te krijgen.”

Intensief samenwerken

Om die gezamenlijke zorg te kunnen bieden, moeten zorgaanbieders op alle niveaus intensief samenwerken. “Het gaat niet alleen om de medewerkers op de werkvloer maar ook, en in eerste instantie misschien wel vooral, om de bestuurders”, stelt Martijn Kuit, directeur multicomplexe zorg bij een ggz-instelling. “Die moeten openstaan voor en liefst zelfs het initiatief nemen tot vernieuwing. De wil om samen met de ketenpartners betere zorg te ontwikkelen moet voorop staan.” Dat het voor cliënten binnen de ggz en beschermd wonen beter is om in kleine stappen te werken aan hun herstel, daaraan twijfelt niemand. Probleem voor die hybride vorm waarover Steenbergen en Kuit spreken, is de financiering. Beschermd Wonen wordt via de Wmo gefinancierd vanuit de gemeenten terwijl een opname in een ggz-instelling valt onder de Wet Langdurige Zorg en wordt bekostigd door zorgkantoren. De ideale tussenstap vereist daarom de medewerking van alle betrokken partijen: zorgaanbieders, gemeenten en zorgverzekeraars.