Sinds 2014 is in Nederland het passend onderwijs ingevoerd, om voor alle kinderen in het basis- en voortgezet onderwijs een passende onderwijsplek te realiseren. Schoolbesturen hebben hierbij een zorgplicht, zij zijn er verantwoordelijk voor dat alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, een goede onderwijsplek krijgen. Een van de doelstellingen is ‘regulier als het kan, speciaal als het moet’. Dat betekent dat meer kinderen met aanvullende hulp binnen de reguliere school blijven, maar leerlingen met heel complexe hulpvragen een plek op een speciale school moeten krijgen. Daarbij is het doel dat geen kind thuis blijft zitten.

Wat heeft een kind (nodig)?

In het speciaal onderwijs is er flink wat veranderd sinds 2014, vertelt Marc Cantrijn, beleidsadviseur van het Landelijk Expertise Centrum Speciaal Onderwijs. “We zijn overgestapt van ‘wat heeft een kind?’, naar ‘wat heeft een kind nodig?’.” Voorheen werd vooral gekeken naar de (audiovisuele, gedragsmatige, psychiatrische, lichamelijke of intelligentie-)beperking. Met een diagnose die een onderwijsbeperking aangaf, kreeg een leerling een indicatie voor speciaal onderwijs. De reguliere school van de leerling kon kiezen voor inschakelen van extra hulp of doorverwijzen naar speciaal onderwijs.

Aan elke indicatie hing een vast bedrag; het aantal indicaties was niet gelimiteerd. Hoe meer indicaties, hoe meer het speciaal onderwijs de overheid kostte. Om dat te beteugelen, werd passend onderwijs ingevoerd. De wet stimuleert met financiële prikkels dat minder leerlingen naar het speciaal onderwijs gaan. Landelijk is de afgelopen jaren een lichte daling te zien. Nu heeft elke regio een gelimiteerd budget, wat verdeeld moet worden over alle kinderen die extra ondersteuning nodig hebben. Een keerzijde is dat deze verhouding per regio kan verschillen. In sommige regio’s worden speciale scholen gesloten. Zo kan het voorkomen dat een leerling die verhuist ineens niet meer naar het speciaal onderwijs kan.

Leraren moeten ook ondersteuning krijgen

Reguliere scholen dienen voor elke leerling passend onderwijs te kunnen verzorgen. Dat kan door praktische aanpassingen zoals het installeren van een lift, het wegnemen van drempels of ringleidingen voor slechthorende en dove leerlingen. “Belangrijker is het bij- en nascholen van docenten”, zegt Cantrijn. Wanneer kinderen een andere didactische of pedagogische aanpak nodig hebben, dan moeten leraren goed bijgeschoold worden. Dan nog blijft de vraag hoeveel verschillende problematieken in één klas een leraar kan behappen. Verschillende didactische niveaus zijn doorgaans het probleem niet, maar leerlingen met verschillende gedragsmatige stoornissen kunnen een klas ontregelen. Zo wordt de druk op leraren groot.

Daarbij zit er een grens aan de hoeveelheid cognitieve verschillen tussen leerlingen die een leraar binnen één klas kan lesgeven. Volgens Dolf van Veen van het Nederlands Centrum Onderwijs en Jeugdzorg (NCOJ), is voor leraren in het regulier onderwijs veel meer ondersteuning nodig. “In veel andere landen is al jaren geleden de beweging richting inclusief onderwijs en integratie van leerlingen met problemen of beperkingen gemaakt, maar in Nederland is lange tijd gefocust op het speciaal onderwijs.” Met het passend onderwijs is nu een eerste stap gezet, maar voor echt inclusief onderwijs moeten leraren volgens Van Veen veel meer ondersteuning kunnen genieten, van bijvoorbeeld taalspecialisten of hulpverleners.

Regionale samenwerking

Reguliere en speciale scholen werken in regionale samenwerkingsverbanden om passend onderwijs te realiseren. Het samenwerkingsverband beschikt over een vastgesteld budget om onderwijsplaatsen en ondersteuning te bekostigen en beslist wanneer extra hulp wordt ingeschakeld. Dat kan binnen de reguliere school, of voor leerlingen met zeer complexe onderwijs-zorgvragen, op een speciale school. Samenwerkingsverbanden hebben de opdracht om te zorgen voor een dekkend aanbod van voorzieningen, maar de precieze invulling ligt bij de scholen zelf.

Naast de invoering van het passend onderwijs, heeft het speciaal onderwijs ook te maken gehad met de invoering van de Jeugdwet, de Wet Langdurige Zorg (WLZ) en de Participatiewet. Hiervoor zijn samenwerkingen tussen gemeenten, onderwijsinstellingen en zorgaanbieders opgezet en ook hier zijn de meeste geldstromen binnen gemeenten geregeld. Daarnaast werken scholen, gemeenten, bedrijven en ondersteunende zorg samen om de overgang van het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) naar (betaald of onbetaald) werk mogelijk te maken. Cantrijn voegt toe dat hierbij “een langdurige integrale aanpak noodzakelijk is”, die bij voorkeur vroegtijdig start, wanneer leerlingen nog een paar jaar school voor de boeg hebben.

Door de decentralisatie kunnen gemeenten, jeugdzorg en scholen één lijn trekken en kinderen en jongeren op dezelfde wijze behandelen en begeleiden. Voordeel hiervan is dat de verantwoordelijkheden ‘dicht bij de mensen’ liggen. De keerzijde ligt in de rigoureuze overgang, waar veel organisaties nog steeds van bijkomen. “Er moeten nog veel mensen wennen aan deze overgang; dat je niets meer kunt ‘doorschuiven’ naar elkaar maar de dingen echt samen moet oplossen.” Een ander punt van zorg ligt in het wegvloeien van expertise doordat minder kinderen naar het speciaal onderwijs gaan.

Geen thuiszittende kinderen

Ondanks de doelstelling zijn er nog steeds thuiszittende kinderen voor wie geen passende plek gevonden is. Hiervoor zijn landelijke initiatieven opgezet zoals het ‘Lansbrekers’-programma, een samenwerking van participerende organisaties waar wordt ingezet op het verminderen van thuiszitters. Toch blijft het soms ingewikkeld om een geschikte plek voor een leerling te vinden, blijkt ook uit de Evaluatie Passend Onderwijs.

Wel is het zo dat het onderwerp ‘thuiszitten’ inmiddels hoog op de agenda staat, regionaal maar ook landelijk. Op 15 december jl. sprak staatssecretaris Sander Dekker in de Tweede Kamer over passend onderwijs, en ook daar werd over maatregelen gesproken om het aantal thuiszitters verder terug te dringen. Hoe de andere doelstellingen van het passend onderwijs tot nu toe behaald zijn, en welke gevolgen de wet voor het regulier en het speciaal onderwijs heeft, wordt op dit moment verder onderzocht door het Onderzoeksconsortium Evaluatie Passend Onderwijs.

Het VSO bereidt leerlingen voor op het leven na school. Dat kan gericht zijn op vervolgonderwijs, op arbeid of een vorm van dagbesteding. Cantrijn ziet de taak van het VSO breder dan alleen een diploma meegeven. “De opdracht is de leerlingen optimaal klaar te stomen op wonen, werken, vrije tijd en goed burgerschap.” Leerlingen met zware lichamelijke of geestelijke beperkingen moeten worden voorbereid op praktische zaken. Hoe zelfstandiger iemand kan leven, hoe meer de persoon tot bloei kan komen en hoe minder kosten de maatschappij aan hem of haar heeft.

Dus moet er zo veel mogelijk gewerkt worden aan de vaardigheden die hiervoor nodig zijn. Wanneer basale vaardigheden, zoals boodschappen doen of koken, geleerd zijn, kan dat enorm veel schelen in bijvoorbeeld de kosten voor thuiszorg later. Cantrijn vindt tot slot dat het VSO ook aandacht moet besteden aan goed burgerschap. Leerlingen die hun leven lang gewend zijn buiten de maatschappij te staan, altijd een uitzonderingspositie innemen, moeten bewust worden van die maatschappij en hun rol daarin. Alleen dat kan integratie van mensen met een beperking werkelijk bevorderen.