Sinds 2017 is de wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) van kracht die voortbouwt op de Wet op de Kinderopvang uit 2005 – en geldt voor alle kinderopvangorganisaties in Nederland. Wat betekent dit voor de sector, wie controleert de kwaliteit en hoe doen we het in vergelijking met het buitenland?

Goede opvang is van groot belang voor de veilige ontwikkeling van jonge kinderen. Daarom heeft de overheid in 2017 een reeks kwaliteitseisen opgesteld in de wet IKK. Kinderopvangorganisaties zijn sindsdien verplicht om zich aan deze eisen te houden. De GGD controleert of zij dat wel doen. Maar ook andere partijen monitoren de kwaliteit.

Vaste gezichten en ontwikkeling

De nieuwe kwaliteitseisen van de wet IKK vragen nogal wat van kinderopvangorganisaties. Zo is onder meer bepaald dat iedere nul-jarige op een opvang minimaal twee ‘eigen’ vaste medewerkers moet hebben die hen specifiek begeleiden. Dit ‘vastegezichtencriterium’ komt voort uit het pedagogische inzicht dat een vaste medewerker die bekend is met een baby meer kennis heeft over hoe een kind zich ontwikkelt en wat specifieke behoeften zijn. Ook moet iedere kinderopvanglocatie sinds 1 januari 2019 een pedagogisch beleidsmedewerker in dienst hebben. Deze beleidsmedewerker ondersteunt de pedagogisch medewerkers door na te denken over hoe kinderen op de locatie het best begeleid kunnen worden in de ontwikkeling van hun vaardigheden. De pedagogisch beleidsmedewerker coacht alle medewerker ook minimaal een keer per jaar.

Ontwikkeling van de kwaliteit van pedagogisch medewerkers is een speerpunt in de nieuwe wet IKK. Daarom moet iedere opvang ook een opleidingsplan opstellen voor iedere medewerker en mogen locaties slechts beperkt stagiaires inzetten en medewerkers die nog niet voldoen aan de opleidingseisen. Per 1 januari 2023 moeten alle medewerkers die op een babygroep werken specifieke babygerichte scholing krijgen. Ook invalkrachten en pedagogisch medewerkers die op tijdelijke basis op babygroepen werken, moeten dan voldoen aan deze kwalificatie-eis. Omdat het nogal wat regels zijn waar aanbieders zich aan moeten houden – en de jeugdzorgsector in ontwikkeling is – is het van groot belang dat er goed gehandhaafd wordt.

Controle door GGD

In de wet IKK is vastgesteld dat het de GGD is die belast is met de controle of kinderopvangorganisaties wel voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen. Zij doen dit in opdracht van de gemeente, aan de hand van de modelrapportage dagopvang waarin onderscheid wordt gemaakt in structurele kwaliteit en proceskwaliteit. Structurele kwaliteit wordt gemeten aan de hand van zogenaamde ‘structuurkenmerken’: het aantal vierkante meters binnen- en buitenruimte op een locatie, veiligheid, hygiëne, groepssamenstelling en -grootte (stabiliteit), aantal kinderen in verhouding tot het aantal pedagogisch medewerkers en de kwaliteit van speelmateriaal. Proceskwaliteit gaat over de ervaring die kinderen opdoen in hun interacties met elkaar en met medewerkers. Proceskwaliteit wordt op meerdere momenten in het jaar onderzocht door de GGD en gemeentes, maar is soms lastiger te meten dan het aantal vierkante meters of het opleidingsniveau van medewerkers.

Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang

Naast de wettelijke controles door gemeente en GGD – die op hun beurt weer worden gecontroleerd door het ministerie – wordt de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland ook nog gemonitord in de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang (LKK). LKK is een onderzoek dat wordt uitgevoerd door een consortium van de Universiteit Utrecht en Sardes in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De doelstelling van het onderzoek is om van 2017 tot 2021 jaarlijks de kwaliteit van alle soorten kinderopvang in Nederland in kaart te brengen. Pauline Slot, universitair docent Educatie en pedagogiek, is vanuit de Universiteit Utrecht betrokken bij LKK. LKK is een voortzetting van de eerdere monitor die werd uitgevoerd door het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO), maar verschilt wel op een paar punten van dit onderzoek. Slot: “In het eerdere onderzoek werd de kwaliteit slechts om de paar jaar gemonitord. Nu jaarlijks. Zo kunnen we beter zien hoe de kinderopvang reageert op bijvoorbeeld maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen in wet- en regelgeving.”