In een kwart van de Nederlandse gemeenten is sprake van een demografische krimp en daalt door de vergrijzing de behoefte aan kinderopvang, terwijl op andere plaatsen de vraag door verbeterde economische omstandigheden juist toeneemt. Tegelijk stellen ouders steeds hogere eisen aan de flexibiliteit van gastouders, buitenschoolse opvang en kinderdagverblijven.

Verbreding van aanbod

Daarnaast neemt de noodzaak tot verbreding van het aanbod toe en groeit de behoefte aan samenwerking tussen kinderopvang, basisscholen en peuterspeelzalen. Tot 2015 nam de vraag naar kinderopvang geleidelijk af, zo blijkt uit cijfers van onder andere het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Oorzaak zijn onder meer de stijgende kosten, waardoor de opvang voor veel ouders te duur werd. De afgelopen twee jaar stijgt het aantal kinderen dat naar de kinderopvang gaat echter weer. Enerzijds komt dat door de afnemende werkloosheid, anderzijds door de verruiming van de toeslagregeling. Pedagoog Ruben Fukkink, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, herkent dat beeld.

“Aanvankelijk verlaagde de Nederlandse overheid de financiële steun aan ouders voor de kosten van de kinderopvang. Inmiddels lijkt het erop dat diezelfde overheid zich realiseert dat deze voorziening echt hoort bij de hedendaagse samenleving en stabiele steun verdient.” Investeren in kinderopvang loont, stelt hij, want ouders blijven daardoor werken, wat gunstig is voor de economie en kinderen hebben baat bij kinderopvang van hoge kwaliteit.

Gevaar ligt op de loer

Opmerkelijk is dat er nu een gestage verschuiving plaatsvindt van het soort opvang waar ouders gebruik van maken. Zo gaan sinds 2014 meer kinderen naar de buitenschoolse opvang (BSO) dan naar de dagopvang. Daarnaast voorziet het CBS tot 2020 in meer dan 90 procent van de gemeenten een forse daling van het aantal basisschoolleerlingen.

Volgens de statistici zal het totaalaantal 4-jarigen in Nederland de komende jaren met ongeveer 6 procent afnemen. Bij de leeftijdsgroep van vier tot tien jaar bedraagt die afname zelfs rond de 10 procent. Als er al sprake is van enige groei in de BSO, zal die moeten komen door toename van het aantal uren dat ouders gebruik maken van de opvangmogelijkheid.

Wel zal naar verwachting onder andere in Amsterdam en Utrecht het aantal kinderen dat naar de BSO gaat, toenemen. Om het tij te keren worden tal van initiatieven ontplooid om de samenwerking tussen kinderopvang, jeugdhulp, primair onderwijs en peuterspeelzalen te intensiveren.

Kinderdagverblijven

Kinderdagverblijven zoeken daarom naar fusie- of overnamekandidaten om zo de schaalgrootte te creëren die door autonome groei niet is te realiseren. Naast activiteiten die intern vormgegeven kunnen worden, streven kinderdagverblijven naar integratie met peuterspeelzalen en primair onderwijs. Samenwerking biedt de kinderopvang perspectief voor een vruchtbare samenhang tussen de organisatie, de financiering en de regelgeving op lokaal niveau.

Dat leidt niet alleen tot een beter en overzichtelijk aanbod voor ouders, maar vergroot tegelijkertijd het maatschappelijke rendement van kinderopvang en onderwijs. Voor kinderen is dat echter niet altijd positief, zo blijkt in de praktijk. Omvangrijke organisaties werken bijvoorbeeld met zogeheten flexpools. Dat leidt tot voortdurende personele wisselingen op de groepen terwijl ouders juist belang hechten aan vaste pedagogisch medewerkers.

Of, zoals Fukkink het omschrijft: “De Nederlandse baby is kampioen in het herkennen van vele gezichten.” Schaalvergroting beschouwen ouders meestal niet als een voordeel en zij geven de voorkeur aan kleine kinderdagverblijven die bijvoorbeeld meer lokaal betrokken zijn. Fusies kunnen voor ouders zelfs aanleiding zijn op zoek te gaan naar een andere vorm van kinderopvang. Deskundigen wijzen er ook op dat alleen bundeling van krachten onvoldoende is. Samenwerking moet volgens hen verder gaan dan realiseren van een kostenbesparing en verruiming van de huisvestings-mogelijkheden.

Klemmend keurslijf

Veranderingen in de vraag dwingt de kinderopvang tot ingrijpende aanpassingen van het aanbod en maakt investeringen noodzakelijk. Daarnaast wijzigt de wet- en regelgeving voortdurend en is onduidelijk wat het effect van nieuwe kabinetsmaatregelen zal zijn.

Tegelijk verlangen ouders grotere flexibiliteit in de beschikbaarheid van de kinderopvang en verwachten ze dat de prijzen daarmee gelijke tred houden. Nu is er volgens ouders vaak sprake van een star systeem en ervaren zij dat als een klemmend keurslijf. Daarnaast verwachten ouders dat de kinderopvang zich onderscheidt door een breder pakket aan diensten.

Naast de standaardopvang moet daarbij worden gedacht aan vervoer naar een sportclub of zwemles of het aanbieden van creatieve activiteiten als koken, tekenen of dansen. Voor ouders blijft de bereikbaarheid van de locatie de belangrijkste afweging bij de keuze van het soort opvang.

Wel is een trend zichtbaar waarbij ouders bereid zijn om een grotere reisafstand te overbruggen als er sprake is van een alternatief concept zoals agrarische kinderopvang. Daar kunnen kinderen naar hartenlust buitenspelen, gaan ze met dieren om en krijgen ze gezonde ‘boerderijvoeding’. Voor veel ouders sluit dat aan op de toenemende aandacht voor groene buitenruimte.

Betere pedagogische kwaliteit

Behalve door logistieke en organisatorische maatregelen kunnen kinderdagverblijven zich onderscheiden van andere vormen van kinderopvang door goede pedagogische kwaliteit, vindt Mirjam Gevers Deynoot-Schaub. Na haar studie deed zij promotieonderzoek naar de sociale interacties en het spel van jonge kinderen in kinderdagverblijven.

Zij is verbonden aan het Kohnstamm Instituut en maakt deel uit van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) dat in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) tien jaar onderzoek deed naar de pedagogische kwaliteit van Nederlandse kinderdagverblijven.

Uit onderzoek onder 50 groepen uit 503 kinderdagverblijven verspreid over Nederland blijkt dat na een periode van achteruitgang de pedagogische kwaliteit in 2012 (meest recente gegevens) voor het eerst weer een duidelijke toename laat zien ten opzichte van voorgaande jaren.

Tegelijk stelden de onderzoekers vast dat de pedagogische kwaliteit bij deze peiling in absolute zin nog lang niet op alle punten voldoende was en dat er voldoende ruimte bleef voor verbetering. “Pedagogische kwaliteit is geen stabiel kenmerk”, stelden de onderzoekers vast.

Regelmatig monitoren blijft daardoor noodzakelijk, bevestigt Gevers Deynoot-Schaub. Daarom wordt de komende jaren opnieuw onderzoek naar de pedagogische kwaliteit uitgevoerd, dit keer door de Universiteit van Utrecht in opdracht van het ministerie van SZW, waarbij gebruik wordt gemaakt van dezelfde door het NCKO ontwikkelde wetenschappelijke meetinstrumenten.

Pedagogisch medewerkers

Volgens Gevers Deynoot-Schaub onderstrepen de resultaten van de peiling in 2012 het belang van gerichte ontwikkeling van de interactievaardigheden van pedagogisch medewerkers. Daarom adviseert zij kinderopvangorganisaties die hun pedagogische kwaliteit willen verbeteren, hun medewerkers hier goede ondersteuning in te bieden.

Die vaardigheden nemen toe naarmate zij hier gerichte ondersteuning in krijgen, blijkt onder andere uit de bevindingen van onderzoeker Katrien Helmerhorst, eveneens verbonden aan het NCKO. Op basis van haar eigen onderzoek en de verkregen meetgegevens, ontwikkelde zij daarom een training voor pedagogisch medewerkers.

Vervolgens ontwierp zij een training voor ROC-docenten. Helmerhorst: “Dat was nodig, want in de opleiding voor pedagogisch medewerkers ontbrak tot voor kort bijvoorbeeld de aandacht voor een aantal essentiële vaardigheden, zoals sensitiviteit van de medewerkers en het belang van sociale interactie tussen kinderen.”

Opvang in een huiselijke omgeving

Bij een kinderdagverblijf wordt vaak gewerkt volgens een bepaalde methodiek en de medewerkers volgen daarbij nauwgezet de ontwikkeling van de kinderen. Dat is volgens Marleen Groeneveld, als universitair docent verbonden aan de faculteit Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Leiden, een van de sterke punten van kinderdagverblijven.

“Die zijn speciaal voor dat doel, opvang van kinderen, ingericht. Zo is bijvoorbeeld het meubilair afgestemd op de kinderen, is de ruimte in speelhoeken verdeeld en is er een grote grond-box voor de kleinsten.” Als ouders willen kiezen voor opvang in een meer huiselijke omgeving, noemt Groeneveld gastouderopvang een goed alternatief voor een kinderdagverblijf.

“Gastouders zorgen voor een kleine groep kinderen, maximaal zes, in hun eigen huis of in het huis van de kinderen. Voor kinderen betekent dit vaak een rustigere situatie, met kinderen in verschillende leeftijden, meer vergelijkbaar met het gezinsleven. Vooral voor de jongste kinderen kan dit een prettige vorm van opvang zijn.”

Voordelen gastouderopvang

Groeneveld deed promotieonderzoek naar de verschillen tussen kinderopvang door gastouders en kinderdagverblijven en stelde vast dat gastouders sensitiever zijn, de geluidsniveaus er minder hoog zijn en het welbevinden van de kinderen hoger is. “Let wel”, benadrukt ze, “het gaat om gemiddelden, maar heel kort door de bocht zou je kunnen stellen dat kinderen zich bij een gastouder meer op hun gemak voelen dan in een kinderdagverblijf.”

Met enkele studenten observeerde zij het gedrag van kinderen en pedagogisch medewerkers bij kinderdagverblijven en vergeleek de resultaten daarvan met de waarnemingen bij gastouders. “Het onderzoek richtte zich uitsluitend op wat de ‘formele opvang’ wordt genoemd. Oppassen door bijvoorbeeld grootouders hebben we buiten beschouwing gelaten. Wel hebben we gekeken naar het stressniveau bij kinderen in de kinderopvang, bij een gastouder en in de thuissituatie.

Opvallend daarbij is dat we bij de kinderen thuis het laagste stressniveau vaststelden.” Er was geen verschil in stressniveaus tussen kinderen die een gastouder of een kinderdagverblijf bezochten. Hoewel er verschillen bestaan tussen opvang door gastouders, kinderdagverblijven en de BSO, vindt Fukkink dat de basiskwaliteit in Nederland gemiddeld genomen goed is.

“Kinderen voelen zich veilig en vertoeven in een ‘warme’ omgeving. Bovendien stimuleert de opvang kinderen hun eigen weg te vinden in hun sociale en emotionele ontwikkeling. Dat moet voor de overheid voldoende reden zijn om zich te realiseren dat de baten van pedagogisch verantwoorde kinderopvang ruimschoots opwegen tegen de kosten.”