Goede zorg voor ouderen staat of valt met tijd en aandacht op de werkvloer. Om de kwaliteit in de ouderenzorg te verbeteren startte staatssecretaris Van Rijn vorig jaar een vijfjarig programma. Een tussenbalans: er ontstaan mooie dingen maar personeel verdient meer ruimte.

Onterecht beeld van zorg voor ouderen

Naar een verpleeghuis? Nooit, want verpleeghuizen zijn akelige oorden waar je beter niet kunt belanden. Een onterecht beeld in de Nederlandse samenleving, stelt professor Joris Slaets. Alleen daarom al is het volgens de hoogleraar Ouderengeneeskunde nodig met alle partijen samen te werken in een programma waarin liefdevolle zorg voor ouderen op één staat.

Het doorbreken van de incidentencultuur, noemt Slaets het ook wel: Een negatief verhaal in de media, vragen in de Tweede Kamer en vervolgens weer extra controlemechanismes die door de inspectie opgelegd worden. Daar moeten we volgens hem nodig van af.

Project van Waardigheid en Trots

‘Waardigheid en Trots, liefdevolle zorg voor ouderen’, heet het project dat staatssecretaris Martin van Rijn (VWS) in februari 2015 lanceerde met als doel de ouderenzorg te verbeteren, van elkaar te leren en het negatieve imago te verbeteren. De komende vijf jaar zijn er honderden miljoenen beschikbaar voor projecten die onnodige regelgeving moeten verminderen, de kwaliteit van het personeel moet verhogen, mantelzorgers meer moet betrekken en voor meer zinvolle dagbesteding moeten zorgen.

Overkoepelende samenwerking

In het programma werken alle partijen samen: werkgevers, beroepsbeoefenaren, cliënten- en ouderenorganisaties maar ook de zorgverzekeraars, inspectie en ministerie. Die krachtenbundeling is belangrijk, aldus Sonja Kersten, directeur van de beroepsvereniging V&VN die opkomt voor de belangen van de verplegenden en verzorgenden.

Bijna anderhalf jaar na de start van het programma constateert ze op landelijk niveau: de versnippering is voorbij, iedereen werkt samen. “We hebben in beeld waar we naar toe willen met elkaar: kwetsbare ouderen moeten kunnen rekenen op goede zorg in een omgeving waarin ze kunnen leven op de manier die ze zelf willen. Op een flink aantal locaties gaat er in pilots anders gewerkt worden, we zijn benieuwd naar die resultaten.”

Op weg naar één geheel

Slaets, behalve hoogleraar ook directeur van Leyden Academy on Vitality and Ageing, ziet dat op veel plaatsen in Nederland volop geëxperimenteerd wordt om beter aan de wensen van ouderen te kunnen voldoen. “Maar het gaat nog te veel om losse onderdelen, de puzzelstukjes komen nog niet bij elkaar. Het moet nog een geheel worden.”

De cliënt centraal…

Kwalitatief goede zorg leveren gaat verder dan veiligheid en lichamelijke verzorging. Hulpverleners moeten niet alleen weten welke ziektes iemand heeft, maar óók zijn verlangens en behoeftes kennen. Hoe kom je daarachter? Niet door met vink- en checklijsten te werken, maar door het goede gesprek te voeren met de cliënt zelf en zijn naasten, stelt Kersten.

Juist daarvoor moet je deskundig personeel hebben, een van de grote uitdagingen voor de komende jaren. “In Nederland willen we dat ouderen zo lang mogelijk thuis blijven wonen, pas als het echt complex is, gaan ze naar een verpleeghuis, maar het personeel daar is minder hoogopgeleid. Dat is scheef”, vindt ze.

…maar óók oog voor de werknemer

Het goede gesprek is de kern van de zaak. Het gaat over dilemma’s, zoals iemand met een verhoogd valrisico of dementie beperken in bewegingsvrijheid. Over de wens van een jong iemand met ernstige lichamelijke beperkingen liever te stikken in een biefstukje dan gemalen voedsel te eten. Dat vraagt om goed opgeleid personeel en tijd voor reflectie, maar door de hoge werkdruk is die er vaak niet en worden er nog steeds onnodige fouten gemaakt, vertelt Kersten.

Ook Slaets neemt het op voor ‘de werkvloer’: “Je kunt niet verwachten dat iemand liefdevolle zorg biedt als een kwart van het personeel tegen een burn-out aan loopt.” De verschillen in verpleeghuizen zijn nog steeds groot, ook als het financiën gaat. Hoe komt het dat de ene zorgaanbieder goed uitkomt met de middelen, en de andere organisatie niet? Het mechanisme dat daarachter zit, is ingewikkeld, volgens Slaets, en hangt van factoren als gebouwen, een makkelijke of moeilijke cliëntenpopulatie en de samenstelling van het personeel. Kersten voegt daaraan toe: “Sommigen instellingen slagen er beter in dan anderen. Daar valt nog veel te leren van elkaar, maar die tijd moet er wel zijn.”