In Nederland krijgen vrouwen tussen de 30 jaar en 65 jaar één keer in de vijf jaar een uitnodiging voor het bevolkingsonderzoek (BVO) naar baarmoederhalskanker. Tot eind 2016 werd een uitstrijkje afgenomen dat werd onderzocht met behulp van een cytologische test die de voorstadia van baarmoederhalskanker kan opsporen. Bij deze test worden alle cellen uit het risicogebied microscopisch onderzocht en beoordeeld.

Wat houdt het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker in?

Vanaf dit jaar kent het BVO een nieuwe opzet. Het uitstrijkje wordt nu eerst getest op de aanwezigheid van het hoogrisicotype van het Humaan Papilloma virus (hrHPV), een seksueel overdraagbaar virus dat in veel gevallen de oorzaak is van baarmoederhalskanker. Als er hrHPV in het DNA van een vrouw wordt gevonden, wordt hetzelfde uitstrijkje getest op cytologische afwijkingen. Een positieve HPV-test-uitslag van het DNA betekent niet dat er per definitie cytologische afwijkingen worden gevonden. Andersom betekent een negatieve HPV-testuitslag niet dat er geen sprake is van afwijkingen, want niet alle baarmoederhalskankersoorten zijn HPV-gerelateerd en kunnen worden gedetecteerd met de huidige HPV-test.

Eerder screenen op HPV

In Nederland worden vrouwen vanaf 30 jaar voor het BVO uitgenodigd. In de rest van de wereld ligt de ondergrens op 25 jaar. Eigenlijk is zelfs dat nog hoog, vindt Patrick Berteloot, gynaecoloog-oncoloog in het UZ Leuven. “Deze leeftijden zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat meisjes geslachtsgemeenschap hebben, en dus besmet kunnen raken met HPV, rond het 18e of 19e jaar, terwijl de realiteit is dat veel jongeren starten met coitus rond hun 12e, 13e of 14e jaar.” Hij ziet op de afdeling Oncologie dan ook vrouwen met baarmoederhalskanker die tussen de 25 en 30 jaar zijn. Door eerder te starten met screenen, zou deze groep tijdig geholpen kunnen worden.

Het belang van cytologie

Berteloot is van mening dat het cytologisch onderzoek zeker bij jonge vrouwen een duidelijke meerwaarde heeft, omdat er minder vaak sprake is van vals alarm. Veel jonge vrouwen testen positief bij een HPV-screening, omdat zij doorgaans seksueel actief zijn en de kans groot is dat ze besmet zijn met hrHPV. Jonge vrouwen kunnen het virus echter zelf nog ‘klaren’ (laten verdwijnen). Alleen wanneer het lange tijd blijft zitten, kunnen zich afwijkingen ontwikkelen. “Zeker als men de HPV-screening uitvoert op basis van DNA, blijkt de aanwezigheid van hrHPV bij de meeste jongere vrouwen een voorbijgaand gegeven”, zegt Berteloot. Door, zoals in Nederland gebeurt, in eerste instantie alleen op hrHPV te screenen, wordt een grote groep vrouwen onnodig ongerust gemaakt, legt Berteloot uit. “Ik denk dat als we kiezen voor primaire HPV-screening, we zeker een RNA-screening moeten doen en geen DNA-screening.” Bij deze test wordt niet het DNA, maar het RNA (macromoleculen waarin erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd) van vrouwen bestudeerd om vast te stellen of er sprake is van hrHPV. Deze test lijkt specifieker aan te kunnen geven of er sprake is van een HPV-besmetting die negatieve consequenties heeft. Hierdoor zou het aantal vrouwen dat naar de gynaecoloog moet voor verder onderzoek van gevonden afwijkingen kunnen dalen.

Een cytologisch uitstrijkje

Dat er stemmen opgaan om het screeningsinterval in Nederland te verruimen van vijf naar zeven tot tien jaar, is iets waar Berteloot moeite mee heeft. “Persoonlijk vind ik vijf jaar lang, en zeven jaar zeker te lang. In België zijn we van twee naar drie jaar gegaan en we hebben de indruk dat we nu al meer intervalcarcinomen zien dan vroeger.” De nieuwe screening brengt op het moment dus nog een aantal belangrijke vragen met zich mee, die de komende jaren moeten worden beantwoord. Tot er een duidelijk antwoord is op deze vragen, is het goed als vrouwen zelf om een cytologisch uitstrijkje kunnen vragen, bijvoorbeeld bij hun huisarts. “Ik denk dat vrouwen daartoe de mogelijkheid moeten hebben en dat de toegang laagdrempelig moet zijn en blijven”, besluit Berteloot.