Digitalisering opent een nieuwe wereld voor de pathologie, nooit eerder kon men zo snel digitale beelden delen. Het leidt tot een vruchtbare samenwerking tussen andere disciplines, zoals radiologie. “Maar de échte digitalisering, die begint nu pas.”

Vooravond van de digitalisering

“We staan aan de vooravond van de digitalisering van pathologie in Nederland,” vertelt Katrien Grünberg, hoofd van de Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP). Ze klinkt opgewekt. “Dit gaat de hele workflow van pathologie op z’n kop zetten.” Grünberg heeft alle reden om opgewekt te zijn: digitaal werken gaat een aantal belangrijke problemen oplossen voor de patholoog. “De techniek die nodig is om digitaal te werken, die is er inmiddels,” vertelt Grünberg. De plakjes weefsel die men onder de microscoop bekijkt, de coupes, worden gescand met een speciale scanner. Zo ontstaat er een digitaal beeld. Tot voor kort was de grootte van het beeld het voornaamste probleem. Om goede foto’s van het microscopische beeld te maken, heb je sterke scanners nodig die ontzettend grote afbeeldingen maken. Alleen dan zijn de foto’s van voldoende kwaliteit om ze goed en snel te kunnen analyseren. Bovendien zijn sterke grafische kaarten nodig voor deze grote afbeeldingen, evenals voldoende opslagruimte: de gigantische beelden nemen veel data in beslag. Zonder deze technologische ontwikkelingen konden digitale pathologiebeelden niet bestaan.

Als team veranderen

Deze digitale beelden betekenen een groot voordeel, vertelt Grünberg. Zo kan men nu veel gemakkelijker coupes met elkaar delen. “Eerder ging die coupe in een doosje, en vervolgens in een envelop met bubbeltjesplastic,” vertelt ze. “Die moest dan op de post, of werd gebracht door een koerier. Dit is natuurlijk veel foutgevoeliger: soms kwam het pakketje te laat of op de verkeerde plek aan, en soms raakten er coupes beschadigd.” Het is wel een complexe overstap, erkent Grünberg. De hele werkwijze gaat veranderen, en niet iedereen is hier even enthousiast over. “We horen van veel teams
die het al gedaan hebben, dat ze erg tevreden zijn. Maar sommige professionals kunnen eigenwijs zijn, die denken dan: ‘hoe wij het doen, dat is de goede manier”.

Patholoog Paul van Diest (UMC) vertelt vanuit een werkkamer op de pathologie-afdeling dat zijn team ook voor de uitdaging stond om de transitie te maken. Voor een goede overstap moesten ze actief aandacht besteden aan verandermanagement: hoe stoom je een groep zonder bovengemiddelde digitale ervaring klaar om met deze systemen te werken? Ook in het team van Van Diest zaten personen die niet gewend waren met complexe computerprogramma’s te werken. “Overigens waren juíst sommige oudgedienden erg handig met deze systemen,” benadrukt Van Diest. De leverancier van de systemen gaf het team handvatten om het verandermanagement in goede banen te leiden. “Het was een goede formule,” vertelt Van Diest. “Wij verdeelden het hele team in werkgroepen. Vervolgens gaven wij iedere werkgroep mandaat om hun ideeën uit te voeren. Het resultaat: iedereen was betrokken, en iedereen nam verantwoordelijkheid. Zo konden wij de overstap heel soepel maken.”

Samenwerking tussen disciplines

Inmiddels is bij Van Diest alles digitaal, en de rest van Nederland is ook heel ver, zo vertelt hij. Ook hij benoemt dat de voordelen groot zijn. Vooral op het gebied van patiëntveiligheid, revisie en consultatie is er veel gewonnen. “Een consult van een andere patholoog, of een revisie wanneer de patiënt in een ander ziekenhuis kwam, kostte vaak een tot twee weken. Nu het digitaal gaat, kun je dezelfde dag resultaat hebben. Ter illustratie: ieder jaar vinden er 10.000 consulten en 30.000 revisies plaats.” Naast Van Diest zit radioloog Tim Leiner. Wanneer Leiner en Van Diest elkaar voor het interview ontmoeten, groeten zij elkaar hartelijk: zij kennen elkaar goed en werken steeds meer samen. Samen verbeelden zij de grotere trend: radiologie en pathologie werken steeds nauwer samen, digitalisering heeft hen nader tot elkaar gebracht. Deze goede samenwerking tussen radiologie en pathologie is niet toevallig. Beide disciplines hebben veel gemeen met elkaar, met als voornaamste punt dat ze zich allebei richten op het analyseren van beelden. Bovendien beginnen de beelden steeds meer op elkaar te lijken. “Het oplossend vermogen van de ‘plakjes’ die radiologen zien, wordt steeds hoger,” vertelt Leiner. “Met moderne beeldverwerkingstechnieken kunnen wij steeds beter voorspellen hoe de coupes eruit gaan zien.”

Ook de beelden die pathologen maken, worden steeds gedetailleerder. Dat de beelden uiteindelijk zo op elkaar gaan lijken dat ze niet meer van elkaar te onderscheiden zijn, sluit Leiner dan ook niet uit. De disciplines hebben veel overeenkomsten, maar vullen elkaar toch goed aan. “Wij zien bijvoorbeeld een tumor in drie dimensies,” vertelt Leiner. “Dus als de patholoog ergens een biopt van wil, dan kunnen wij precies zien waar we deze het beste vandaan kunnen halen.” Van Diest vult aan: “Vragen die eerder weleens werden gesteld, bijvoorbeeld of het biopt wel representatief is, krijgen wij niet meer als beelden geïntegreerd zijn. Ook hoeven wij minder vaak terug naar preparaten voor weefseluitname wanneer blijkt dat we toch verkeerd zaten, dit komt dan amper meer voor.”

Werkdruk

Dat er dankzij digitalisering meer mogelijk is, is duidelijk. Maar aan dit voordeel kleeft ook een nadeel: er wordt meer aanspraak gemaakt op radiologen en pathologen omdat zij dankzij digitalisering steeds meer kunnen. “Beeldvorming is een pilaar waar vrijwel elke behandeling op gestoeld is,” vertelt Leiner. “Als patiënt ontkom je er vrijwel niet meer aan dat er ergens in je zorgtraject beeldvorming bij komt kijken. Dit is natuurlijk geweldig voor de patiënt omdat de zorg er beter van wordt, voor ons betekent het alleen wel dat de werkdruk toeneemt.” Gelukkig ligt er in de oorzaak ook de oplossing. Digitalisering kan ik in de toekomst de werkdruk verlichten, zo vertellen zowel Van Diest als Leiner. “De digitalisering begint eigenlijk nu pas,” vertelt Leiner.

“Wij verwachten dat computerprogramma’s op den duur zelf naar beelden kunnen kijken, en ons vertellen welk beeld wij wel en welk beeld wij niet hoeven te analyseren. Dit bespaart ons ontzettend veel werk, waardoor wij tijd overhouden voor de speciale gevallen.” Van Diest illustreert het als volgt: “Ik moet weleens dertig coupes bekijken om een afwijking te vinden. Vaak genoeg vind je die pas in de dertigste, nadat je vol aandacht de vorige negenentwintig bestudeerd hebt. Het zou geweldig zijn als de computer zegt: kijk eens naar deze, die wijkt af.”

Decision support

Hildo Lamb, bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Radiologie, vindt niet alleen een samenwerking tussen radiologie en pathologie erg vruchtbaar, ook een betere samenwerking tussen radiologen en andere medisch specialisten kan winst opleveren. Door middel van zogeheten decision support, dus het ondersteunen bij het maken van keuzes, kan de radioloog advies geven welk soort scan het meest effectief is in het vinden van de juiste diagnose. Cruciaal voor een goede diagnose en de kortste weg naar de beste behandeling, vindt Lamb. Tijdens het multidisciplinaire overleg speelt digitalisering een essentiële rol, vindt Lamb. “Voor de diagnose en het behandelplan van bijvoorbeeld mammacarcinoom is het erg belangrijk om samen met de overige medisch specialisten, zoals de patholoog en chirurg, de radiologiebeelden en biopten te bekijken,” vertelt Lamb. “Dankzij deze geïntegreerde werkwijze kunnen wij ’s ochtends de patiënte spreken, radiologisch onderzoeken, cellen bij haar afnemen, tussen de middag haar beelden bespreken, en haar ’s middags weer in de poli ontvangen om het behandelplan te bespreken.” En dit, zo stellen alle geïnterviewden, is het allerbelangrijkste van digitalisering: de patiënt is de grote winnaar.