Bij kinderen met leer- of ontwikkelingsproblemen wordt vaak gedacht dat het brein vastligt en niet meer zal veranderen. Terwijl in een optimale omgeving en binnen goede samenwerking rondom het kind veel groei mogelijk is.

Van afwijkend gedrag wordt vaak gedacht dat het in de hersenen zit, biologisch bepaald is en dus vastligt, legt Lydia Krabbendam uit. Zij doet aan de VU onderzoek naar neuropsychologische ontwikkeling. De veranderlijkheid van het brein wordt hiermee onderschat en dat heeft grote gevolgen voor kinderen. Zij worden bijvoorbeeld anders bejegend omdat men denkt dat ze bepaalde dingen niet kunnen. “Zonde, want kinderen gaan daar zelf in geloven en zich bijvoorbeeld minder inzetten.”

Combinatie van factoren

De ontwikkeling van de hersenen wordt bepaald door aanleg (erfelijke factoren) en omgeving, stelt Jan Buitelaar, hoogleraar psychiatrie en kinder- en jeugdpsychiatrie verbonden aan het Radboud UMC. “Het is net koken: voor een goede omelet heb je goede ingrediënten, ofwel aanleg, nodig, maar je moet ook met de juiste temperatuur bakken en goed roeren – de omgevingsfactoren.” De omelet is niet alleen lekker door goede eieren of goed roeren; de combinatie bepaalt het resultaat. Een groot deel van de hersenontwikkeling ligt vast, maar er is wel degelijk verandering mogelijk, aldus Buitelaar. Dat wordt ‘plasticiteit’ genoemd. “Onze kennis hiervan is nog beperkt, we gaan ervan uit dat hersenen op jonge leeftijd plastischer zijn dan later, maar ook in de adolescentie lijkt
verandering mogelijk te zijn.”

Vele studies laten de invloed van de omgeving op ontwikkeling van kinderen zien, vult Krabbendam aan. Blijven proberen en feedback van ouders en leerkrachten heeft invloed. Bovendien maakt het uit of kinderen zélf geloven dat ze kunnen groeien: hun mindset. Neuropsychologisch onderzoek geeft inzicht in de sterke en zwakke kanten van iemands cognitief
functioneren. De cognitieve functies en het omgaan met de eigen vaardigheden zichtbaar maken, is volgens haar de eerste stap. Dat voorkomt overvraging en laat zien waar kinderen goed in zijn. De een is bijvoorbeeld minder goed in abstracte verbanden leggen, maar heeft wel een groot doorzettingsvermogen; de ander leert vooral door naar voorbeelden te kijken, of juist door verbale uitleg.
Daarbovenop bepaalt intelligentie het leervermogen. Neuropsychologisch onderzoek is nodig om de optimale leerstrategie vast te stellen, stelt Buitelaar.

Sterke en zwakke punten

Testresultaten gebruiken om een aandoening vast te stellen en het daarbij te laten, moeten hulpverleners en leerkrachten vooral niet doen, zegt Krabbendam. “De uitslag van neuropsychologisch onderzoek is geen eindstation maar beginpunt.” Ook als die past bij een specifieke diagnose, moet gekeken worden naar de mogelijkheden en behoeften van het individu. Krabbendam stelt dat elk kind bejegend moet worden met de wetenschap dat dingen nog kunnen veranderen: dit is nú zo, maar dat betekent niet dat het voor altijd zo blijft. Aan die mindset moeten mensen soms wennen. “Het is nu eenmaal verleidelijk om te categoriseren, maar daarmee ontneem je kinderen hun groei.” Uiteraard moet men wel realistisch blijven en onderkennen dat niet ieder kind de nieuwe Einstein zal worden. Of, aldus Buitendijk: “Bijna iedereen kan met goede training een gemiddelde atleet worden, maar zeer weinigen winnen een Olympische medaille.”

De andere kant op doorslaan is een risico. Maakbaarheid te groot maken, kan de verantwoordelijkheid voor het falen bij de kinderen leggen, en dat is niet wenselijk. Daarin moeten hulpverleners, onderwijzers en ouders genuanceerd te werk gaan. Zij moeten kijken welke elementen vaststaan en welke variabel zijn, en hoe een goede omgeving kan bijdragen.

Betere vertaalslag

Een goede koppeling naar de praktijk is essentieel voor goed gebruik van bestaande wetenschappelijke kennis en neuropsychologisch onderzoek. De vertaalslag vanuit de wetenschap naar de praktijk moet beter, vindt Buitelaar. Bij fundamenteel onderzoek naar cognitieve processen wordt daar nu onvoldoende over nagedacht. Dit kan volgens hem bevorderd worden door systematische behandelaren toe te voegen aan onderzoeksteams en meer te brainstormen over toepassingsmogelijkheden. Krabbendam ziet een groeiend aantal projecten waarin wetenschappers zich met de praktijk bezighouden.

Bijvoorbeeld door kinderen en scholen in wetenschappelijk onderzoek te betrekken. Tegelijkertijd is de bruikbaarheid van bepaald hersenonderzoek in de praktijk nog lastig. Dit is in de landelijke wetenschapsagenda dan ook een speerpunt. “Belangrijkste is dat zowel de wetenschap als de praktijk zich bewust zijn van de potentie.” Tegelijkertijd zal hier een spanningsveld blijven bestaan: de wetenschap is nu eenmaal gebaseerd op gedegen en getoetst onderzoek, terwijl de praktijk – zeker die van kinderen – grilliger is, verandert en soms simpelweg snel móet handelen.

Er zijn organisaties die de koppeling naar de praktijk goed aanpakken, ziet Krabbendam. “Die zijn laagdrempelig en daar kunnen kinderen zonder een stigma te krijgen terecht voor onderzoek en behandeling.” Het is van belang vakjargon te vertalen naar begrijpelijke taal voor docenten, ouders en kinderen zelf. Hier ligt nog een uitdaging. Ook moet voldoende aandacht naar het werkelijk focussen op de omgang van de gebreken en niet de gebreken zelf.