Voor wie als gevolg van psychiatrische problemen een tijd niet heeft deelgenomen aan de arbeidsmarkt, is terugkeer op de werkvloer niet vanzelfsprekend. Nog te vaak vallen zij na de behandeling in een zwart gat. Een goede ketensamenwerking tussen zorginstellingen, gemeenten, sociale werkbedrijven en het lokale bedrijfsleven is van essentieel belang voor het maatschappelijk en het persoonlijk herstel. “Werk is een hele goede vorm van zorg”, stelt Jan-Jaap de Haan, directeur van Cedris, de landelijke vereniging voor sociale werkgelegenheid en re-integratie. “Als je die twee combineert, kun je uitstekende resultaten behalen.”

Op wat voor manier kun je werk en zorg combineren?

“Dat kan door mensen de kans te bieden werkervaring op te doen en te wennen aan een vaste dagindeling, met begeleiding bij een werkgever of eerst in een beschutte omgeving. Op die manier krijgen mensen meer structuur in hun leven, het biedt hen zekerheid en het geeft zelfvertrouwen. Sociale werkbedrijven bieden ondersteuning in het proces naar een zo zelfstandig mogelijke deelname aan de maatschappij. En dat betekent ook, als het kan, een betaalde baan.”

Zijn werkgevers niet huiverig om iemand met een ggz-verleden in dienst te nemen?

“Soms is dat zeker het geval. Maar gelukkig hebben sociale werkbedrijven een groot aantal instrumenten die belemmeringen voor de re-integratie kunnen wegnemen. Daarbij kun je denken aan proefplaatsingen, aan loonkostensubsidie en zelfs aan een detacheringsformule. Dan werkt de medewerker op de locatie van de ondernemer maar is in dienst van het SW-bedrijf. Op die manier loopt de ondernemer geen risico en hij heeft ook niet de administratieve rompslomp. Na de detacheringsperiode, die tot twee jaar kan duren, is de ondernemer doorgaans zo overtuigd van de meerwaarde van ‘zijn’ medewerker dat hij hem of haar een vast contract aanbiedt.”

Dat was vroeger allemaal niet mogelijk. Waarin verschillen de huidige SW-bedrijven nog meer van de sociale werkplaatsen van vroeger?

“Een sociale werkplaats was voor veel mensen een plek waar ze niet meer wegkwamen”, vertelt Saar Spanjaard, directeur van werk-leerbedrijf Avres. “Tegenwoordig zijn wij veel meer een opstap naar terugkeer op de arbeidsmarkt en begeleiden wij iedereen met een afstand tot die arbeidsmarkt. Wij ondersteunen steeds vaker reguliere bedrijven bij inclusief ondernemen. Dat doen wij door een goede match te maken tussen werk en de talenten van mensen. Hun beperkingen vormen geen belemmering voor de werkzaamheden. Het ondernemen laten wij over aan ondernemers. Wij bemiddelen bij mens en werk, ontzorgen op het gebied van wet- en regelgeving en de ondernemer zorgt voor de rest. Die samenwerking kan heel ver gaan. Je kunt zelfs denken aan een joint venture, een structureel samenwerkingsverband tussen het sw-bedrijf en private ondernemingen.”

Sociaal ondernemen wordt door velen gezien als liefdadigheid. Is dat ook zo?

“Absoluut niet”, stelt Spanjaard. “Sociaal ondernemen betekent dat je niemand buitensluit. Maar het is zeker geen liefdadigheid. Het uitgangspunt is altijd dat het voor beide partijen voordeel biedt. De medewerker ervaart dat hij bijdraagt aan het bedrijfsresultaat en daarvoor gewaardeerd en betaald wordt. En werkgevers moeten op basis van feiten en cijfers kunnen vaststellen dat hun medewerkers een toegevoegde waarde hebben voor het bedrijf. Alleen op die manier kan sprake zijn van een duurzame samenwerking.”