Radiotherapie is een medisch specialisme dat gebruikmaakt van ioniserende straling. Deze straling wordt gebruikt voor de behandeling van patiënten met oncologische ziekten of andere aandoeningen. Het is een effectieve behandeling met relatief lage kosten die bij ongeveer 45 procent van de kankerpatiënten wordt toegepast. Radiotherapie draagt in veertig tot vijftig procent van de gevallen bij aan de genezing van kanker.

De rol van radiotherapie in Nederland

Nederland speelt op radiotherapeutisch gebied een belangrijke innoverende rol. Door de toepassing van nieuwe bestralingstechnologieën verbetert de kwaliteit van zorg continu. Er zijn in Nederland 21 radiotherapeutische centra: zes zelfstandige instituten, zeven academische centra, zeven afdelingen in algemene ziekenhuizen en één categoraal instituut.

Ook zijn er satellietlocaties. Deze zijn in het leven geroepen vanwege de groeiende vraag naar radiotherapie en om de reisafstanden voor patiënten te verkorten. De Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie (NVRO) is de wetenschappelijke vereniging in radiotherapie en heeft zich als doel gesteld de kwaliteit van radiotherapie te bewaken en te bevorderen.

NVRO-bestuurslid Marcel Verheij betreurt het dat er tijdens de opleiding tot arts weinig aandacht wordt besteed aan radiotherapie. “En dat is onterecht, want we spelen een belangrijke rol bij de behandeling van kanker. Misschien omdat we geconcentreerd zijn in die 21 centra, niet ieder ziekenhuis heeft een radiotherapieafdeling.”

Goede beeldvorming leidt tot een betere behandeling

Er zijn veel nieuwe technieken beschikbaar gekomen. Verheij vindt een van de belangrijkste ontwikkelingen het beter en meer gebruiken van goede beeldvorming. “Tijdens mijn opleiding kregen we bijvoorbeeld een röntgenfoto van een longtumor, waarop we met potlood de tumor intekenden. We bestraalden vanuit twee kanten met als nadeel dat het gebied veel te ruim was en normale weefsels onnodig werden mee bestraald. Zo’n tien jaar geleden gaven CT-scans al betere beeldvorming waardoor de bestralingstechniek verbeterd kon worden. We konden nu vanuit alle richtingen bestralen: veel nauwkeuriger, minder bijwerkingen en er was een hogere bestralingsdosis mogelijk. Als vierde dimensie kwam daar de factor tijd bij en kon ook rekening worden gehouden met de beweging van tumoren. En recentelijk de vijfde dimensie die betrekking heeft op de functie van tumorcellen en bijvoorbeeld gemeten kan worden met de PET-scan.” Het tumorplaatje wordt steeds duidelijker en completer. Het is nu ook mogelijk onderdelen van een tumor een andere dosis te geven.

De combinatiebehandeling: bestraling én chemotherapie

Een tweede belangrijke ontwikkeling vindt Verheij de combinatiebehandeling. “Voorheen gaven we alleen bestraling of chemotherapie. Bij grote groepen tumoren, zoals long-, hoofdhals-, slokdarm-, maag- of baarmoederhalskanker is een combinatie van bestraling en chemotherapie beter, het liefst tegelijkertijd omdat ze elkaar versterken. Het heeft meer effect en niet altijd meer bijwerkingen.”

Het behandeltraject

De patiënt wordt via de huisarts en algemeen ziekenhuis verwezen naar een specialist: chirurg, oncoloog, radiotherapeut. Verheij licht toe: “Dan wordt de patiënt besproken in een multidisciplinair overleg en wordt het behandeladvies gegeven. Het kan zijn dat een patiënt in een ziekenhuis zonder radiotherapie komt, maar alle ziekenhuizen hebben een samenwerkingsverband met een van de 21 centra. Na de bestraling gaat de patiënt terug naar het verwijzend ziekenhuis, maar we blijven de patiënt wel gezamenlijk controleren.”

Kosten van radiotherapie

De apparaten voor radiotherapie kosten een paar miljoen, maar gaan tien tot twaalf jaar mee. “Radiotherapie kost minder dan tien procent van de oncologiekosten, terwijl het voor circa de helft bijdraagt aan de genezing. We vinden dat we heel kosteneffectief zijn. De zorgverzekeraar is kritisch en wil inkopen bij de beste zorgverlener, maar wie is dat? Wij willen ook transparantie en onze resultaten zichtbaar maken door registratie. Zo is er bijvoorbeeld een norm voor de tijd tussen het stellen van de diagnose en de start van de behandeling.

De concentratie van zorg is nu ingezet en steeds minder ziekenhuizen bieden oncologiezorg. Ik denk dat we naar een beperkt aantal centra gaan, zo’n twintig tot dertig in plaats van de nu 92 ziekenhuisorganisaties. De relatie tussen volume en kwaliteit bestaat, maar ik wil wel toevoegen dat volume maar één aspect is. Ook de ondersteuning moet in orde zijn, zoals plastische chirurgie bij borstkanker, een klinisch geneticus voor advies over erfelijkheid en oncologieverpleegkundigen met specifieke kennis over het toedienen en de bijwerkingen van chemotherapie. De hele keten moet op orde zijn! Ik vermoed dat over vijf jaar al een hoop verschoven is, dankzij goede afspraken tussen ziekenhuizen en hun partners in de regio.”