Toen de 16-jarige Robin een bultje op zijn been ontdekte, dacht hij er aanvankelijk niets bij. Maar toen de zwelling steeds groter en donkerder begon te worden, besloot hij toch het ziekenhuis te bezoeken. Zijn wereld stortte in. Het bleek botkanker.

(On)schuldig bultje

“Eigenlijk is het heel snel gegaan,” vertelt de inmiddels 25-jarige jongeman. “Ik zat destijds op voetbal en had last van mijn enkel en scheenbeen. Enkele dagen later merkte ik dat ik niet meer mee kon rennen met de jongens. Zo ontdekte ik een klein bultje op mijn been. Al snel werd dit groter, donkerder en veranderde het van kleur. Maar ik deed er verder niets mee.”

Tot hij even later voor het eerst uitging in een club. Robin: “Ik kreeg het benauwd, had pijn aan mijn been en werd erg claustrofobisch. Toen de dag erna iemand op de bult voelde, verging ik van de pijn. Mijn moeder zei direct dat dit niet goed was en we naar het ziekenhuis moesten.”

Hier werden een bloedtest en röntgenfoto genomen. “Er werd al snel aan botkanker of een bacterie gedacht. Uiteindelijk moest ik een paar dagen in het ziekenhuis blijven, waarna ik naar huis mocht. Het was wachten op de uitslag.”

“Ik kan doodgaan”

En die sloeg in als een bom. “Ik weet nog dat ik thuis was met een vriendin van mijn moeder”, vertelt Robin. “Ze werd gebeld en aan haar reactie te zien, wist ik meteen dat ik kanker had. Ook mijn moeder kwam even later overstuur binnen. Mijn wereld stortte in.”

“Uren hebben we gehuild. Ik denk dat ik nog nooit zo erg gehuild heb als toen. Kanker associeer je toch met de dood en dat was ook precies wat ik dacht. Ik kan doodgaan…”

Ook bij de oncoloog hield Robin het niet meer. “Ik hoorde wat me te wachten stond en vond het vreselijk. Met name het vooruitzicht dat ik kaal ging worden, hield me bezig. Ook dacht ik nog: als mijn been eraf moet, wil ik liever dood.”

Amputatie

Erna begon een zware periode met veel chemo’s. “Ik heb in totaal zes kuren gehad”, vertelt Robin. “Bij de meeste mensen zit hier ruime hersteltijd tussen, maar omdat ik jong en relatief sterk was, kreeg ik veel minder hersteltijd tussen de chemo’s. De kuren duurden 4 á 5 dagen, waarna ik weer even thuis zat. Het was een heftige tijd.”

“Gelukkig heb ik veel steun gehad van vrienden. Zelfs mensen die ik maar vaag kende, kwamen me opzoeken in het ziekenhuis. Hier heb ik mooie vriendschappen aan overgehouden. Ook mijn moeder heeft me enorm geholpen. Door de chemo’s was ik vaak misselijk en veranderde mijn smaak. Soms kon ik ineens zin hebben in een croissant, maar kotste het de volgende dag weer uit. Mijn moeder was dan zo lief om telkens te halen waar ik op dat moment zin in had. Ze was er dag en nacht.”

Drie maanden later kwam hij echter tot een heftig besluit. Robin: “Ik besloot toch dat ik mijn been wilde laten amputeren. Het was echt overleven en ik wilde koste wat het kost niet dood. Als ik de tumor daarmee zou kunnen laten weghalen, had ik het ervoor over.”

En dat was wat er gebeurde. “Daarna heb ik nog 12 preventieve kuren gehad”, zegt hij. “En toen ik uiteindelijk ontslagen werd uit het ziekenhuis, was ik voor mijn gevoel schoon. Natuurlijk had ik nog controles, maar ik was hier niet bang voor. Ik was eindelijk kankervrij.”

Paralympisch atleet

Erna begon de revalidatie. “Ik heb opnieuw leren lopen”, legt Robin uit. “Hier heb ik drie maanden over gedaan. Na een jaar besloot ik me bij een sportfysiotherapeut aan te melden, omdat ik graag weer wilde voetballen met mijn vrienden.”

Hoewel hij blij was dat dit weer lukte, was hij er op een gegeven moment klaar mee. “We hadden een vriendschappelijke wedstrijd, waarna ik in elkaar geslagen werd”, vertelt Robin. “Toen had ik er genoeg van. Ik wilde niet langer in dit gezelschap sporten. En ging op zoek naar iets anders.”

Hij besloot de Paralympische talentdag te bezoeken. Robin: “Aanvankelijk wilde ik me niet onder de paralympiërs scharen, omdat ik in staat was met valide mensen te sporten. Maar toen ik zag hoe sterk deze sporters waren, trok het me wel aan. Op de talentdag kwam ik in aanraking met atletiek en besloot recreatief te gaan speerwerpen.”

Dit ging zo goed, dat hij gevraagd werd voor het Nederlands team. “Vanaf dat moment sportte ik geen 3 keer per week meer, maar 10 keer. Ook ging ik erbij sprinten. Dit heb ik zo’n 3 à 4 jaar gedaan. Maar helaas dwongen blessures me te stoppen.”

Robin kreeg stompklachten, waardoor hij vaak naar het ziekenhuis moest. “Ook kreeg ik last van mijn goede been”, vertelt hij. “Ik kon hem op een gegeven moment zelfs niet meer strekken, omdat hij twee maanden gebogen stond door schade in de knie. Toen realiseerde ik me dat ik mijn lichaam aan het vernielen was. Ik besloot met atletiek op te houden.”

Verliefd op zitvolleybal

Maar niet meer sporten, was voor hem geen optie. “Ik ging weer op zoek naar iets anders”, aldus Robin. “En weer vond ik iets via de Paralympische talentdag. Ik werd verliefd op zitvolleybal. Het is minder zwaar, leuk en doordat het minder tijd in beslag neemt, past het beter in mijn leven.”

De sporter zit dan ook niet stil. “Ik heb een eigen bedrijf en geef bootcamps en personal trainingen. Ook heb ik mijn eigen trainingsschema en breng tijd door met mijn vrienden en vriendin. Mijn agenda zit aardig vol.”

En hoe hij de toekomst ziet? “Ik hoop zoveel mogelijk grote toernooien te halen met zitvolleybal”, aldus Robin. “Ook hoop ik op een deelname aan de Paralympische Spelen in 2020. Verder heb ik niets te klagen. Ik wil lekker zo door blijven gaan!”