Als het gaat om de opvoeding van kinderen, worden de zaken in Nederland vaak nodeloos ingewikkeld gemaakt, vindt Sacha Ausems, voorzitter van de Raad van Bestuur bij Kinderopvang Humanitas. Zij pleit voor ‘ont-wikkeling’. Ouders komen soms met hun vragen in het specialistische circuit terecht, terwijl ze vaak prima geholpen kunnen worden door pedagogisch medewerkers, leerkrachten of welzijnswerkers in hun directe omgeving. Zowel kinderen als ouders zouden er volgens Ausems veel baat bij hebben als hun vraag niet direct naar een specialistisch niveau wordt opgetild. “Dat vraagt om innovatie van het huidige systeem, terug naar de bedoeling, naar versterking van het gewone leven. Locatiemanager Maureen Hofstede en regiodirecteur Sander Pommé van Kinderopvang Humanitas laten zien hoe dit deels al gebeurt.”

Welke behoefte signaleert u als het gaat om de zorg voor kinderen?

“Vroeger zochten ouders eerder dichtbij huis naar antwoorden op hun vragen. Er was destijds nog echt sprake van een gemeenschap. Door het einde van de verzuiling is dat systeem uit elkaar gevallen, is de maatschappij veel individualistischer geworden en drukt de virtuele community inmiddels ook een behoorlijke stempel op het opgroeiende kind. Misschien is – juist daarom – op veel vlakken een hang naar de terugkeer van die gemeenschap zichtbaar. Zonder al te veel bemoeienis, maar wel met steun. In de ouderenzorg speelde dit vraagstuk ook, en daar is op allerlei manieren ingespeeld op die gemeenschapszin. Ik zou zoiets ook graag terugzien in de zorg voor kinderen.”

Wat zou er verbeterd kunnen worden aan het huidige systeem?

“In Nederland is de kinderopvang over het algemeen van hoge kwaliteit, met veel kennis en een goede visie rond de ontwikkeling van het kind. Kinderen zijn bijvoorbeeld al heel jong in beeld doordat zij de peuterspeelzaal en het kinderdagverblijf bezoeken. Daar blijkt dat ouders in het dagelijks leven best veel vragen hebben over de opvoeding van hun kinderen, bijvoorbeeld over voeding, ontwikkeling of gedrag. Wanneer het gaat om wat grotere kwesties, komt het regelmatig voor dat ouders zich schamen of hun vraag niet durven stellen. Niet alleen omdat het niet altijd prettig is om toe te geven dat je als ouder iets niet weet, maar ook omdat we in Nederland vaak de neiging hebben tot problematiseren. Dit betekent dat vraagstukken snel worden opgetild naar een specialistisch niveau. Naar mijn mening is dit een weeffout in het systeem. Kinderen komen in specialistische zorg terecht, waarbij de – wellicht ongegronde – zorg en angst van ouders is dat ze in het proces hun kind kwijtraken. Hierdoor ontstaat er een hobbel om dit soort gewone vragen te blijven stellen. Hulp zoeken is helaas vaak taboe.”

Kunt u een voorbeeld geven van een dergelijke situatie?

“Op een achterstandsschool besprak een moeder met de leerkracht haar problemen in de opvoeding van haar zoon. Ze kon hem niet meer de baas en wist niet wat ze met hem aan moest. Om haar verder te helpen, werd een afspraak geregeld met iemand uit het zorgcircuit. Vervolgens sprak ze met een aantal vriendinnen, die haar aan het twijfelen brachten. Ze besloot de afspraak af te zeggen, uit angst dat haar kind haar ontnomen zou worden. Dit zou niet mogen gebeuren. Niemand zou bang moeten zijn om hulp te vragen. Bovendien zou een sterke lokale samenhang of pedagogische ondersteuning van de leerkracht de hulpvraag richting het zorgcircuit mogelijk overbodig kunnen maken. Daarom denk ik dat het goed is om die cirkel rond het dagelijks leven van ouders en hun kinderen te verstevigen.”

Hoe kan die cirkel worden verstevigd?

“Dat vraagt om samenwerking van diverse partijen, maar ook om het vermogen om buiten bestaande hokjes te denken. Een bekende Afrikaanse uitdrukking luidt ‘It takes a village to raise a child’. Ik wil terug naar die gemeenschap. De vraag is hoe we daar komen en hoe we de cirkel rond ouders en kinderen kunnen verstevigen, zodat zij geen hobbels en schaamte ervaren om eerder met hun vragen naar buiten te treden. Daarvoor moet een situatie worden gecreëerd die dichtbij, vertrouwelijk en veilig genoeg is om vragen bespreekbaar te maken. ‘Gewone’ vragen worden dan dichtbij, op de peuterspeelzaal, school of thuis beantwoord door vertrouwenspersonen met kennis over dat ‘gewone’ leven: bijvoorbeeld de leidster, leerkracht, de jeugdverpleegkundige. Op die manier worden ouders versterkt in hun rol en kunnen kinderen in hun vertrouwde omgeving blijven, die wordt verstevigd met kennis van anderen. Door lokaal een netwerk te vormen van betrokkenen, waaronder deze professionals met diverse kennis, krijgen ouders meer handvatten en is er minder specialistische zorg nodig. Ouders blijven zelf autonoom en in regie, maar ervaren meer steun. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat die verschillende partijen elkaar opzoeken. Momenteel wordt nog veel gedacht van uit eigen instanties en posities, maar volgens mij is niemand daarbij gebaat. Afzonderlijke partijen moeten juist de handen ineenslaan en elkaars waarde opzoeken en aanvullen.”

Welke instanties zouden de samenwerking met elkaar moeten zoeken?

“Uiteenlopende instanties kunnen samen die village, die gemeenschap, vormen waarbinnen de ontwikkeling van kinderen wordt gefaciliteerd. Partijen zoals kinderopvang- en welzijnsorganisaties, scholen, jeugdverpleegkundigen of consultatiebureaus, huisartsen en de gemeente hebben allemaal een stukje kennis en vertegenwoordigen elk een puzzelstukje binnen het geheel. De kinderopvang en peuterspeelzaal kijken bijvoorbeeld heel pedagogisch en ontwikkelingsgericht naar kinderen. Vervolgens gaan kinderen als ze vier jaar zijn naar de basisschool, waar leraren vooral veel didactische kennis bezitten. Zij krijgen echter ook steeds vaker maatschappelijke, sociale en pedagogische vragen van ouders, waar ze niet altijd een antwoord op hebben. Scholen kunnen hier door samen te werken een goede oplossing voor vinden. Ook sportclubs, bibliotheken of andere lokaal verbindende partijen maken deel uit van de gemeenschap, want ook daar komen ouders en kinderen samen en kunnen vragen beantwoord worden. We moeten leren én durven denken vanuit de leefwereld van het kind. Hiervoor is het nodig onze denkpatronen en het systeem te kantelen van institutioneel naar kindcentraal.”

Hoe zou die oplossing eruit kunnen zien?

“Er is bijvoorbeeld een school die heeft besloten twee afzonderlijke groepen samen te laten leiden door één leerkracht en één pedagogisch medewerker. Hiermee werd ingespeeld op de behoefte aan ondersteuning bij pedagogische vraagstukken, maar werd ook een alternatief geboden voor het lerarentekort. De leerkracht geeft kinderen uitleg en vervult een didactische rol, terwijl de pedagogisch medewerker zich richt op het ontwikkelingselement en kijkt naar het welbevinden en de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Deze medewerker is bovendien ook actief in de buitenschoolse opvang, zodat er continuïteit ontstaat in de omgeving waar kinderen dagelijks mee te maken hebben. Samen delen zij kennis over kinderen en vullen elkaar aan, naar volle tevredenheid van ouders, kinderen en deze professionals zelf. Dit is slechts één manier waarop professionals hun specifieke kennis kunnen delen met andere partijen en ervoor kunnen zorgen dat die van nut is op veel bredere schaal.”

Bij wie ligt het initiatief voor het vormen van een gemeenschap?

“Er moet vooral geen top down-beleid komen dat oplegt hoe elke gemeente en wijk te werk zouden moeten gaan en hoe die gemeenschap rondom ouders en kinderen eruit zou moeten komen te zien. Ik geloof heel erg in de kracht van lokaal werken. De mensen in een bepaalde wijk of gemeente maken samen de kwaliteit en kunnen deze ontwikkeling verder vormgeven. Het zou goed zijn als zij met elkaar op lokaal niveau de vrijheid nemen om mogelijkheden en vernieuwingen te onderzoeken. Op het moment dat professionals de ruimte krijgen, komen ze al snel met voorstellen om ‘praktijk te gaan maken’, is mijn ervaring. Juist omdat zij in de dagelijkse praktijk zien welke problemen er spelen, hebben zij goede ideeën over wat beter kan en welke behoeften er leven. Ik denk niet dat voor dit alles één juiste vorm bestaat. Door verschillende vormen uit te proberen, wordt vanzelf duidelijk wat werkt. Dat is contextafhankelijk. Natuurlijk kan het zo zijn dat een bepaald idee naar landelijk niveau kan worden getild, maar ook kan blijken dat het alleen werkt in een bepaalde wijk vanwege de specifieke omstandigheden. Het gaat om innoveren, leren en eventueel optillen naar te delen algemene kennis en beleid.”

Wat verwacht u op termijn van deze aanpak?

“Het resultaat van het verstevigen van de cirkel rondom ouders en kinderen levert een enorme winst op voor hun welbevinden, en ook voor de ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast verwachten we dat er minder specialistische zorg nodig is. Zo wordt geïnvesteerd in de toekomst van kinderen, maar ook in die van de gemeenschap. Kinderen kunnen in hun eigen gemeenschap opgroeien en naar school, met lokaal passende oplossingen, en hun ouders worden ondersteund in hun rol. Natuurlijk blijft specialistische zorg altijd nodig, want andere partijen hebben simpelweg niet overal verstand van. Het is goed als mensen op specialistische zorg kunnen rekenen in gevallen dat het echt nodig is. In alle andere gevallen is het goed als ze kunnen terugvallen op dat netwerk in het dagelijks leven. Mensen moeten de oplossing krijgen die passend is.”

BSO | kinderopvang Humanitas

Wat is de bijdrage van uw organisatie hierin?

“Het is mijn droom om onze pedagogische kennis te delen met andere partijen en breder in te zetten dan alleen in de kinderopvang. Onze kennis kan zo van nut worden voor veel meer partijen. Mijn doel is zeker niet om de regie te nemen in het vormen van gemeenschappen, maar ik denk wel dat we met onze pedagogische expertise een rol van betekenis kunnen vervullen. Wij hebben bijvoorbeeld gezinnen in beeld die bij veel instanties niet of onvoldoende bekend zijn. Ook hebben we dagelijks contact met ouders en met kinderen, horen dagelijks hun vragen en zorgen. Die kennis zouden we kunnen inzetten in het belang van die kinderen en hun ouders. Ik wil samen optrekken met partners die hierin iets kunnen betekenen en hoor graag als er partijen zijn die hierin met ons willen samenwerken. En natuurlijk blijven we gewoon hartstikke goede kinderopvang bieden!”

Welke initiatieven hebben jullie al opgezet om de cirkel rondom ouders en kinderen te versterken?

Maureen Hofstede, locatiemanager: “Wij vinden het van belang om kinderen zo jong mogelijk in beeld te hebben. Zo kunnen we de voorschoolse periode zo goed mogelijk laten verlopen en ze voorbereiden op de basisschool. Daarom zit ik in Enschede namens Kinderopvang Humanitas in een mobiel consultatieteam, gericht op jonge, alleenstaande moeders. Zij hebben in de meeste gevallen geen baan, waardoor ze in een kleine wereld leven. De wijkcoach heeft professionals uit verschillende disciplines bij elkaar gebracht in een consultatieteam om hen zo goed mogelijk te informeren en problemen op te lossen. Naast de wijkcoach bestaat het consultatieteam uit een ervaringsdeskundige, een medewerker van de gemeente en mijzelf namens de kinderopvang. Elke twee maanden worden jonge moeders met hun kinderen in een buurthuis of andere centrale plaats uitgenodigd, waar ze met hun vragen bij ons terecht kunnen. Tijdens deze gesprekken blijkt vaak dat ze tegen bepaalde kleine of grotere problemen aanlopen. Ze hebben moeite zaken als subsidies te regelen met de gemeente, snappen niet hoe de kinderopvang werkt of lopen tegen financiële problemen aan. Wij kijken wie van ons de vraag het beste kan oppakken en hem kan beantwoorden. Ik neem vragen over kinderopvang en opvoeding voor mijn rekening. De lijnen naar andere hulpverleners zijn kort, dus wij kunnen de moeders ook doorverwijzen indien daar behoefte aan blijkt te zijn. Middels deze weg proberen we hen te helpen een zo stabiel mogelijke omgeving voor hun kind te realiseren.”

Sander Pommé, regiodirecteur: “Samen met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) hebben we in het AZC in Weert een peuteropvang voor kinderen jonger dan vier jaar opgezet. Op het terrein was al een school aanwezig, maar voor de allerjongsten was nog geen voorziening opgericht. We hebben ervoor gezorgd dat zij in elk geval twee dagen per week naar de peuterspeelzaal kunnen en een dagbesteding hebben, want ook daar was tot nu toe geen invulling aan gegeven. Ook komen ze in contact met andere kinderen en wordt gewerkt aan hun taalvaardigheid om de afstand tot de maatschappij te verkleinen. Daarvoor zetten we pedagogisch medewerkers in die daar speciaal voor zijn opgeleid naast hun basisopleiding en die relevante ervaring hebben. In de meeste AZC’s zijn op dit moment nog geen peuterspeelzalen, dus ik zou het toejuichen als ze op meer plekken worden opgezet. De besluitvorming daarover ligt bij de AZC’s. In ons geval hebben we samen het initiatief genomen om de peuterspeelzaal op te richten, nadat we daarvoor op het juiste spoor zijn gezet door een medewerker van de gemeente. Wij werken hierin samen met het AZC; zij financieren een deel en Kinderopvang Humanitas neemt de kosten voor het andere deel op zich. We bekijken nu per jaar of het gecontinueerd wordt. Op deze manier proberen we ook zorg te dragen voor de allerkleinsten die uit een moeilijke situatie komen.”

Ausems: “Wij werken met verschillende organisaties samen, dat past ook bij onze visie op ‘terug naar de kracht van samen’. Wij delen allen de overtuiging dat je alleen kunt samenwerken als je elkaar echt als gelijkwaardig ziet, of het nu kinderen zijn of andere partners. Een gelijkwaardige dialoog is de basis. Zo hebben wij bijvoorbeeld ook een Raad van Kinderen die onze organisatie adviseert en vooruit helpt. Kortom, wij willen samen met andere organisaties werken aan een duurzame samenleving voor en door kinderen.”

Meer informatie
www.kinderopvanghumanitas.nl