Voor kwetsbare mensen is volledig herstel niet altijd mogelijk. Het is niet voor iedereen weggelegd om vrij van aandoeningen te leven. Veel van hen kunnen echter wel met hun aandoening leven. Bijzondere woonvormen kunnen hierbij een stimulerende rol spelen, maar nog bepalender is het of de samenleving inschikkelijk is en ruimte maakt voor mensen die ‘anders’ zijn.

Dat vindt theoloog, andragoloog en filosoof Andries Baart. Naast hoogleraar Presentie en Zorg in Zuid-Afrika is hij betrokken bij de stichting Presentie in Utrecht. Volgens hem is de bereidheid om in te schikken, om kwetsbaarheid ook positief te waarderen en niet vooral als een ‘onwaarde’ te zien, nog tamelijk gering.

Bijzondere woonvormen riskant

De samenleving is meer gericht op kracht en zelfredzaamheid, stelt hij. “Het huidige beleid in zorg en welzijn versterkt dat enorm. In zo’n klimaat zijn bijzondere woonvormen ook riskant: voor je het weet zitten kwetsbaren daar ‘kleinschalig’ en geïsoleerd te verpieteren en heet het formeel ‘maatschappelijk participeren’.”

Voor geslaagd herstel is het nodig dat er aan de kant van de kwetsbaren iets gebeurt, maar ook aan de kant van de omgeving. Door de nadruk op de voorziening te leggen, wordt dat laatste gemakkelijk aan het zicht onttrokken. Belangrijk voor het herstel is dat de voorziening een veilig thuis is en zich bekommert om wie hulp nodig heeft, vindt Baart.

Tegelijk moet het mogelijk zijn om als bewoner je eigen positie in te nemen, een stem te hebben en met eer en respect te kunnen wonen. “‘Gewoon’ wonen en een thuis hebben zijn gevulde begrippen en we moeten die invulling ook nastreven. Anders is er alleen een welluidende naam, en verder onverschilligheid. De energie zit dan in de bouw, niet in het wonen.”

Presentietheorie

In zijn boek De Zorgval stelt hij dat kwetsbare mensen de samenleving humaniseren. “Het is goed voor ons als we ons op hen afstemmen. Zo leren we rekening te houden met elkaar.” Baart is de grondlegger van de presentietheorie. Kenmerkend voor deze filosofie is het aansluiten bij en afstemmen op de ander, de nadruk op menslievendheid en relationeel werken, het vermogen om kwetsbaarheid te verwelkomen en eigen talenten te ontwikkelen.

Zo’n benadering kan volgens hem ook in buurten met bijzondere woonvormen zijn vruchten afwerpen. “Presentie bevordert de ander om het beste van zijn of haar mogelijkheden waar te maken.” De presentietheorie ontstond toen Baart mensen ging volgen die hij goed vond in hun vak. Wat doet een goede pastor, goede maatschappelijk werker of goede onderwijzer? Wat hem opviel: iets anders dan in de boeken staat, iets anders dan ze op school hebben geleerd.

“Presentie is voorbij al die lagen van theorie en diagnostische rasters gaan en aansluiten bij het leven zelf.” Wat de theorie voorschrijft, staat soms op enorme afstand van wat goede werkers feitelijk doen, namelijk relationeel werken. Ze kijken naar de concrete persoon en wat die behoeft. “Daarvoor moet je dichtbij komen, in relatie treden, goed kijken, afstemmen, aansluiten.”

Van ‘must’ naar lust

Spijkers met koppen slaan op het terrein van wonen en liefdevolle zorg vereist samenwerking tussen alle partijen in de keten, waaronder gemeenten, woningcorporaties en zorgorganisaties, zegt Ellen Olde Bijvank. Zij is adviseur op het gebied van wonen, zorg en welzijn. Succesvol samenwerken is maatwerk, er bestaat geen blauwdruk. De specifieke vraag in een stad of dorp is bepalend, net als wie de spelers zijn en hoe gedreven ze zijn om iets te realiseren.

Hoe beter de samenwerking en afstemming, hoe beter het is voor de mensen die de zorg het hardst nodig hebben. “Het is tamelijk complex en dat maakt samenwerking er niet eenvoudiger op. Je kunt het als een last ervaren, maar je kunt ook stellen: het is een must en we maken het tot een lust.” Olde Bijvank vindt dat een gemeente niet alles hoeft te regisseren.

Van belang is dat de lokale overheid helpt, verbindt en faciliteert en dat zij vanuit een woonvisie en een visie op zorg, welzijn en andere voorzieningen afspraken maakt met corporaties, zorgaanbieders, buurtinitiatieven en zorgkantoren. Die visie helpt bovendien om investeerders in woningen en woon-zorgarrangementen aan te trekken.

Relatie met buurt

Sinds de inrichting van de verzorgingsstaat ingrijpend is veranderd, zijn publieke instellingen op het gebied van zorg, zekerheid, wonen en onderwijs verzelfstandigd en marktspelers geworden. In deze lijn past ook het financieel en fysiek scheiden van de functies wonen en zorg. Dit vraagt om een omslag in denken van zorginstellingen, zegt Olde Bijvank.

Zij moeten zichzelf meer vermarkten. De zorg blijft hetzelfde, maar de benadering van mensen met een zorgbehoefte is anders. Mensen die bijvoorbeeld een verhuizing overwegen naar een woonzorgcentrum moeten worden verleid om die stap te maken. Bij de keuze speelt de levendigheid en leefbaarheid van de nieuwe buurt een grote rol. De sociale cohesie, veiligheid en uitstraling van de woonomgeving.

Om de wederzijdse betrokkenheid en de sociale contacten te stimuleren moet het woonzorgcentrum een relatie aangaan met de buurt. De grootste zorg is volgens Olde Bijvank dat de laagste inkomens door de nieuwe woningwet (en het verplichte passend toewijzen) worden geconcentreerd in wijken met goedkope woningen. “Je loopt het risico van overconcentratie van mensen met multi-problemen. Ze hebben de zorginstelling verlaten, staan op eigen benen, krijgen een woning toegewezen, maar over de benodigde zorg zijn geen afspraken gemaakt.”

Jongeren en ggz-cliënten

Een belangrijk aandachtspunt is volgens Olde Bijvank het verbinden van vraag en aanbod. Veel mensen zien door de bomen het bos niet meer of zijn simpelweg niet op de hoogte van het aanbod in wonen en zorg. Dat kan een reden zijn om niet te verhuizen, terwijl de persoonlijke situatie dat wel vraagt. Dat kan anders, bijvoorbeeld door als woningcorporatie een ‘seniorenmakelaar’ te benoemen. Iemand die de weg kent en mensen in contact kan brengen met het aanbod dat zij daadwerkelijk nodig hebben.

Baart vult aan: “Er wordt nog weleens geld verspild doordat er sprake is van een mismatch.” Dan wordt zorg geboden die goed en nodig lijkt, maar uiteindelijk niet relevant is. Baart beschrijft hiervan een voorbeeld: een vrouw met complexe zorgvraag kreeg ambulante zorg, maar door het niet goed afstemmen van die zorg moest zij jarenlang gemiddeld zesmaal per jaar worden opgenomen in een psychiatrisch centrum.

Dankzij afgestemde zorg krijgt zij nu zestien uur per week hulp aan huis. Dat is kostbaar, maar sindsdien is een opname niet meer nodig geweest. Al met al zijn de kosten nu een derde van voorheen. “Dit voorbeeld kun je vertalen naar andere situaties. Door op de juiste wijze te investeren in liefdevolle, goed afgestemde zorg voor ouderen, jongeren en ggz-cliënten kun je veel leed, zorgkosten, maatschappelijke problemen en maatschappelijke kosten voorkomen.”