Het beeld dat kinderen van zichzelf hebben is van grote invloed op hun ontwikkeling. Zo kan een negatief zelfbeeld zorgen voor een gebrek aan zelfvertrouwen, wat weer remmend kan werken op bijvoorbeeld sociaal-emotioneel vlak. Een kind wordt niet met een zelfbeeld geboren, zegt ontwikkelingspsycholoog en gezinstherapeut Steven Pont.

“Dit beeld wordt als het ware opgebouwd uit de informatie die je van mensen uit je omgeving krijgt. Een zelfbeeld is dus eigenlijk een ‘anderbeeld’: kinderen internaliseren dat anderbeeld vervolgens tot hun zelfbeeld.” Als de omgeving van het kind ongevoelig is voor wat het kind nodig heeft, vertaalt zich dat als een slecht zelfbeeld.

Dat is niet goed voor hun ontwikkeling, want hoe kinderen met zaken omgaan is erg afhankelijk van dat zelfbeeld. Met een zwak zelfbeeld, zo stelt Pont, durven kinderen bijvoorbeeld minder uitdagingen aan te gaan of doen ze zich juist veel stoerder voor dan ze zich voelen. “Het is de bril waardoor je naar jezelf en de wereld kijkt en daar pas je in grote mate je gedrag op aan.”

In een hoekje gestopt

Ook een ‘label’ is informatie over jezelf, vervolgt Pont. In de volksmond heeft iemand geen ADHD, hij ís een ADHD’er. Zo wordt het onderdeel van een zelfbeeld. Vroeger had je maar vier soorten kinderen: normaal, druk, dom en verlegen. “Als kind met dyslexie werd je dan met ezelsoren in de hoek gezet.

Nu er nauwkeuriger wordt gekeken, zien we ook beter wat er aan de hand is.” Betere diagnostiek maakt nauwkeuriger interventies mogelijk. Maar er is ook een andere kant van de medaille: over-diagnostisering. Kinderen die een stoornis niet hebben, worden wel als zodanig gelabeld.

Of kinderen die een stoornis wel hebben, worden niet als zodanig gelabeld. Niet al het drukke gedrag is een stoornis, want er zijn ook gewoon kinderen die van nature wat meer toeren maken. Toch wordt deze kinderen meegegeven dat er iets ‘niet normaal’ is.

Voor sommige kinderen is een label een zegen (‘Ik ben niet dom, ik heb dyslexie!’), maar voor anderen is het een vloek. “Het is nogal wat om op jonge leeftijd te horen dat je volgens de norm ‘niet normaal’ bent. Zeker als dat onterecht is.”

Zingeving

Bert van Oers, bijzonder hoogleraar cultuurhistorische Onderwijspedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam, noemt het belangrijk dat een kind de kans krijgt om een persoonlijke identiteit te ontwikkelen. “Dat is het verhaal van het kind over zichzelf.”

Door het creëren van leergelegenheden die voor het kind zelf betekenisvol zijn omdat ze aansluiten bij eigen motieven, interesses en ambities, wordt het leren en het geleerde zinvol en krijgt het een plaats in de persoonlijkheid van het kind.

Om dat te bereiken, moeten kinderen uitgenodigd worden om mee te doen in de praktijk van alledag, bijvoorbeeld in de rol van wetenschapper, parlementariër, boer, dokter, architect, bouwvakker, bakker, automonteur, schoonmaker of klant in de supermarkt.

“Het gaat om betekenisvolle praktijken, waar kinderen graag aan deelnemen, maar waarvan ze nog niet alles beheersen. Die kunnen vaak in de klas gerealiseerd worden, zoals in scholen die hun eigen derdewereldwinkel, boekhandel of fietsenwerkplaats hebben.”

De ontwikkeling schuilt in de imitatie van de praktijk en de ontdekking dat binnen die praktijk eisen zijn waaraan ze nog niet kunt voldoen, maar wel als ze hulp krijgen van partners die meer weten, zoals ouders, leerkrachten en andere kinderen.

Imitatie is dan niet betekenisloos na-apen. Van Oers: “Als een kind samen met anderen de supermarkt imiteert is het zinvol en interessant om ook correct te leren rekenen. Juist die zingeving, iets doen wat voor jou betekenisvol is, draagt bij aan de ontwikkeling van een persoonlijke identiteit.”