Transities in het onderwijs én in de jeugdzorg: dat impliceert dat op het snijvlak van deze grootheden niet alles direct van een leien dakje loopt. Dat is dan ook het geval: kinderen die op school en thuis extra ondersteuning nodig hebben, komen nog te vaak in de knel te zitten.

Aanhaken regulier onderwijs

Ze kunnen onvoldoende aanhaken in het reguliere onderwijs en worden (te) laat doorverwezen naar het speciaal onderwijs en jeugdzorg. Partijen weten elkaar bovendien nog onvoldoende te vinden. Sinds 2014 is Passend Onderwijs van kracht, dat een zorgplicht bij scholen legt. Hiermee zijn scholen verantwoordelijk voor het bieden van een goede onderwijsplek aan alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

Om dat vorm te geven, werken scholen samen in regionale samenwerkingsverbanden (SWV’s). In Nederland bestaan 76 SWV’s in het primair onderwijs en 74 in het voortgezet onderwijs. In dezelfde periode vond een transitie in de jeugdzorg plaats, waarbij de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg bij de gemeenten kwam te liggen.

Hoewel demissionair staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) in een voortgangsrapportage vaststelt dat de samenwerking tussen jeugdzorg en onderwijs in bepaalde regio’s goed gaat, wil Marc Cantrijn, beleidsadviseur bij LECSO (Landelijk Expertise Centrum Speciaal Onderwijs), dat nuanceren. “Onze scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs constateren dat het niet in alle regio’s soepel verloopt. Deze uitdaging vraagt om oplossingen.”

Verschillende spelregels

Nederland bestaat uit 388 gemeenten. Er zijn 150 SWV’s Passend Onderwijs en 39 RMC-regio’s (regionale meld- en coördinatiefunctie) voor meldingen over de overgang naar jeugdzorg. Ziedaar een van de belangrijkste oorzaken voor de ontstane problemen, volgens Cantrijn. Het is niet gelukt duidelijk afgebakende regio’s te vormen op allerlei beleidsgebieden.

Er zijn scholen in het speciaal onderwijs (SO) en voortgezet speciaal onderwijs (VSO) met leerlingen uit meerdere SWV’s en uit meerdere gemeenten. “Dat kan oplopen tot meer dan 25 gemeenten met 25 verschillende verordeningen jeugdzorg. Iedere gemeente heeft zijn eigen spelregels”, schetst Cantrijn de situatie. Op zich goed om verantwoordelijkheden laag in een organisatiestructuur neer te leggen, maar het geeft een grote variëteit in beleid en de uitvoering daarvan.

Daarnaast hebben veel scholen voor SO te maken met leerlingen die vallen onder de Wet Langdurige Zorg (WLZ). Deze scholen moeten overleggen met ouders, ziektekostenverzekeraars en het regionale zorgkantoor om ondersteuning binnen de school georganiseerd te krijgen. Gewoon als het kan, speciaal als het moet Andersom gaat het in sommige regio’s wél goed. Een kwestie van goede organisatie, weinig bureaucratie, vertrouwen en korte lijnen.

“Geen ellenlange verantwoordingsprocedures en ingewikkelde spelregels”, aldus Cantrijn. Het is belangrijk dat een leerling bij voorkeur zo dicht mogelijk bij huis naar een reguliere school kan. Dan moeten de leerkracht en de school goed toegerust zijn om het best mogelijke onderwijs te bieden, in de variëteit van problematieken die kinderen kunnen vertonen. Veel winst valt te halen door bijvoorbeeld verbreding van de expertise van leraren door her- en bijscholing.

Andersom geldt: wat mogen de leerling en ouders van de basisschool en leerkracht verwachten? De verscheidenheid aan problematieken die leerlingen kunnen vertonen is namelijk groot. In welke gevallen moeten leerling en school extra ondersteund worden en wanneer is een overgang naar het SO nodig? Vóór de invoering van het Passend Onderwijs werd gebruik gemaakt van landelijke onafhankelijke indicatiecriteria.

Nu bepaalt ieder SWV zelf welke leerlingen in aanmerking komen voor plaatsing in het SO, welk budget men daarvoor wil uittrekken en hoe lang de leerling in het SO kan verblijven. Ieder SWV heeft de beschikking over een vastgesteld budget.

Samenwerking met jeugdzorg

Rest de samenwerking met jeugdzorg, voor kinderen die ook buiten schooltijd ondersteuning nodig hebben. Om dat te organiseren moeten de SWV’s Passend Onderwijs en gemeenten met elkaar overleggen en dat gebeurt ook. Elk SWV zelfs met meerdere gemeenten, met ieder een eigen jeugdverordening. Een gemeente heeft op haar beurt met verschillende schoolbesturen te maken. Zo liggen er behoorlijk wat uitdagingen in de samenwerking tussen jeugdzorg en onderwijs.

Complexe regelgeving maakt dat niet makkelijker. “Als je over de regels en wetten heen onderwijs en zorg op maat kunt aanbieden, dan kun je stappen maken”, zegt Cantrijn. Daarvoor moet multidisciplinair samengewerkt worden, met het individuele kind voor ogen. Dat kan soms met de fysio- of ergotherapeut; dan weer met de gedragsdeskundige zijn. Principes Hans Schuman is deeltijd hoofddocent aan het Seminarium voor Orthopedagogiek van de Hogeschool Utrecht.

Ook hij constateert dat het Passend Onderwijs drie jaar na invoering nog vele uitdagingen biedt, om er uiteindelijk voor te zorgen dat ieder kind daadwerkelijk het recht krijgt zich te ontwikkelen in een zo gewoon mogelijke omgeving. De transitie van de jeugdzorg kan daar aan bijdragen, maar, zegt Schuman: “Voor dit soort ingrijpende vernieuwingstrajecten moet je algauw denken aan een tiental jaren voordat alles goed geregeld en afgestemd is.

Het is niet meer dan normaal dat zich problemen voordoen waar je niet direct een antwoord op hebt.” Tegelijkertijd betwijfelt hij of het aanbieden van onderwijs in een zo gewoon mogelijke omgeving alleen te maken heeft met regelgeving. Eerder denkt hij aan een verschil in principiële uitgangspunten, zoals die verwoord zijn in het VN-verdrag van 2006 over de rechten van personen met een handicap. Een daarvan is het recht van het kind op een inclusieve vorm van onderwijs en volledige betrokkenheid en zeggenschap van het kind.

“Bij beslissingen in het onderwijs en de jeugdzorg wordt het kind nog te vaak niet betrokken of gekend. En wat niet past in de regels of de structuren, is ‘niet mogelijk’.” Het kind en de ouders ‘ja of nee’ laten zeggen is niet hetzelfde als hen werkelijk laten meepraten en naar hen luisteren.

Tijd en experimenteren

Veranderen kost tijd en vraagt om ondersteuning en begeleiding van professionals om hen andere technieken en een andere denkwijze eigen te laten maken. Belangrijk is daarnaast te bekijken hoe professionals met elkaar omgaan en of het belang van het kind werkelijk vooropstaat in plaats van dat van de professionals of de organisatie. Een derde punt is hoe wordt aangekeken tegen de relatie met de ouders van het kind en het kind zelf.

Schuman pleit op basis van internationale modellen voor interprofessionele, interdisciplinaire en inter-agency (tussen instellingen en partijen) samenwerking. “Juist dat is zo lastig te vangen in procedures en protocollen. Het gaat om mensen die met elkaar moeten samenwerken.”

Daar liggen wat beren op de weg, zoals verschillen in status (bijvoorbeeld een revalidatiearts versus een leerkracht) en taal (vergelijk de ergotherapeut met de kleuterjuf). Zo spelen er allerlei krachten in de samenwerking en het kost tijd daar overeenstemming in te vinden. Er is plotseling een stelselwijziging, terwijl professionals in het veld niet van de ene op de andere dag dezelfde taal spreken of direct op een effectieve en efficiënte manier samenwerken.