Nu de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg bijna twee jaar bij de gemeenten ligt, kunnen er conclusies getrokken worden. Er moet een eind komen aan de bureaucratische ellende. Aan vernieuwing komt de sector nauwelijks toe en de samenwerking tussen onderwijs en zorg moet structureel verbeteren, stellen bestuurder Kees Bakker van het Nederlands Jeugd Instituut en Dolf van Veen van het Nederlands Centrum Onderwijs en Jeugdzorg.

Wat is de TAJ?

De Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) heeft vanaf 2015 tot 2017 tweehonderd miljoen euro beschikbaar voor calamiteiten in de jeugdzorg. Daar kunnen instellingen die om dreigen te vallen een beroep op doen. De TAJ is in het leven geroepen om continuïteit te garanderen sinds de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg naar de gemeenten is gegaan.

Budget voor vernieuwing

Bakker wil dat een deel van dat budget voor vernieuwing wordt ingezet. “In plaats van het achter de hand te houden om vingers in de dijk te stoppen.” Want geld voor innovatie is er nu nauwelijks. Ook moet er nu echt werk gemaakt worden van het verder professionaliseren van de mensen in de wijkteams. Want alleen als er daar excellente professionals zitten, kan de druk op specialistische hulp worden gekeerd.

Hoe het komt dat vernieuwing in de jeugdzorg nog nauwelijks van de grond komt? Bakker en Van Veen schetsen een helder beeld. Er is zo’n vijftien procent op de budgetten bezuinigt, terwijl vooraf bekend was dat anders, meer preventief werken juist méér geld kost in het begin. Bovendien is de infrastructuur overhoopgehaald. Dat heeft in het totale onderwijs gezorgd voor stagnering, stelt Van Veen. Op veel plaatsen was er al een beginnende goede samenwerking tussen zorg en onderwijs. Daar zijn nu wijkteams tussen gaan zitten. “Voordat helder is wie wat doet, ben je zo weer anderhalf jaar verder. Laten we ophouden met praten over transformatie van de zorg in een situatie dat de basics nog niet eens geleverd kunnen worden.”

Taai vraagstuk

Omdat alle 390 gemeenten zelf mochten bepalen hoe jeugdzorg werd ingericht, heeft dat geleid tot een geldverslindende bureaucratie. Voor het verbeteren van kennis en voor innoveren en vernieuwen is gemeenschappelijk beleid nodig. Van Veen: “Dat wordt een taai vraagstuk zolang we zeggen dat iedere gemeente vrij is om te doen wat die wil.” Bovendien roepen we dat er ‘een gezin, een plan’ moet zijn maar is er nog steeds niet één budget voor bijvoorbeeld gezinnen met meervoudige problemen van schulden tot opvoed- en verslavingsproblemen. Toch wil Bakker niet alleen somberen. Hij ziet een gemêleerd beeld. De gemiddelde kwaliteit van de jeugdzorg was in Nederland redelijk. Hij noemt het positief dat in steeds meer gemeente bij de inkoop van jeugdzorg de kwaliteit leidend zal zijn in plaats van de prijs.

Snellere diagnostiek

Van Veen pleit voor meer, snellere en betere diagnostiek voor scholen. Als snel helder is wat een kind echt nodig heeft, kan snel de juiste hulp ingezet worden. Hij stekt verder dat jeugdhulp meer preventief ingezet kan worden in en om scholen. Sneller opvoedingshulp inschakelen voor ouders, leerkrachten ook echt direct ondersteunen als ze daarom vragen. Daarbij is het van belang dat scholen heel precies durven aangeven wat ze nodig hebben aan ondersteuning. “Het is toch niet uit te leggen dat scholen voor kinderen met gedrags-en opvoedingsmoeilijkheden nog steeds niet kunnen vertrouwen op jeugdhulp? En waar is de preventieve jeugdhulp in het mbo?”