Aan jongeren met een licht verstandelijke beperking zie je uiterlijk niets. Maar innerlijk kampen zij met een achterstand. Zo kent een LVB-jongere met een kalenderleeftijd van zestien jaar vaak een functionele leeftijd van een kind van negen. Dat zorgt voor overvraging vanuit zijn omgeving. Daarnaast hebben deze jongeren moeite met emoties en sociaal gedrag. Op allerlei wijzen lopen zij vast in hun ontwikkeling. Tijdelijke en gerichte opvoeding, begeleiding en behandeling in topklinische zorg moet deze ontwikkeling weer op de rit krijgen. Het probleem is dat jongeren hier vaak te laat terechtkomen.

Licht verstandelijk gehandicapten

Hoe kunnen zorgbranche en de omgeving van de jongere er samen voor zorgen dat deze jongeren eerder gesignaleerd worden? Hoe gaat de omgeving goed met hen om? En welke behandeling is juist? Jongeren met een licht verstandelijke beperking herken je niet aan de buitenkant. Maar waar ze lichamelijk volwassen of leeftijdsadequaat zijn en als zodanig worden gezien, functioneren zij qua intelligentie en sociale vaardigheden vaak op een veel jonger niveau. Een groot aantal LVB-jongeren lijdt aan emotionele- en gedragsstoornissen, omdat zij zich niet of onvoldoende staande kunnen houden in de maatschappij. In het contact met leeftijdsgenoten gaat het vaak mis.

Op school vallen ze veelal buiten de boot. Dit leidt tot een opeenstapeling van mislukkingen en frustraties, vaak voorkomend uit het feit dat zij overvraagd worden. De gevolgen hiervan zijn in toenemende mate klachten als depressie, angst, onaangepast en agressief gedrag als reacties op sociale probleemsituaties en op latere leeftijd misbruik door bijvoorbeeld drugsrunners of loverboys. Een combinatie van factoren die vaak leidt tot agressief gedrag, verslaving en vereenzaming met een groot risico voor ontsporing en criminaliteit.

Zware problematiek, die langdurige gespecialiseerde hulp en behandeling noodzakelijk maakt. Volgens Xavier Moonen, bijzonder hoogleraar kennisontwikkeling over jeugdigen en jongvolwassenen met LVB en gedragsproblemen, is het kernprobleem een te late signalering van de beperking. “Pakken jonge kinderen iets niet zo snel op of reageren zij asociaal, dan zien wij dit als omgeving vaak door de vingers. Pas rond een jaar of acht verwachten wij meer van ze. Gedraagt het kind zich dan nog steeds niet naar behoren, dan ondernemen we actie. Dat is al te laat. Frustraties zijn dan al opgebouwd en problematiek ontstaat.”

De juiste omgang voor LVB-jongeren

De digitalisering van de samenleving doet hier nog een schep bovenop. Moonen stelt dat de huidige samenleving alles scherper maakt. De samenleving is sneller in communicatie en reactie geworden. Mensen geven elkaar onvoldoende tijd en gelegenheid om na te denken en hun gedrag aan te passen. Informatie is makkelijk toegankelijk en snel. Jongeren met een licht verstandelijke beperking begrijpen deze vorm van communiceren vaak niet en pakken het altijd persoonlijk op.

Zo komen ze maar moeilijk mee: “Jongeren met een LVB hebben behoefte aan ruimte. Ruimte voor het maken van fouten en ruimte voor het weer rechtzetten van deze fouten. Extra tijd biedt hierin uitkomst.” De bijzonder hoogleraar adviseert de tijd te nemen in de communicatie met deze jongeren. Niet te direct te reageren of de communicatie verbreken, maar de jongere een kans bieden voor een nieuwe start: “Door de tijd te nemen, je taal aan te passen, niet te primair te reageren, maar na te denken, bieden wij deze jongeren de kans hun eigen fouten in te zien én om te vormen.”

De behandeling

De belangstelling voor de behandeling van LVB-jongeren nam in de laatste jaren toe. Ook staken wetenschappers en zorginstellingen de afgelopen tijd veel tijd en energie in het ontwikkelen en aanpassen van interventies voor de specifieke kenmerken en problematiek van deze doelgroep. Het herwinnen van het vertrouwen van de LVB-jongere is hierin het startpunt, zegt Dirk Verstegen, directeur Vereniging Orthopedagogische Behandelcentra: “Deze jongeren verloren het vertrouwen in andere mensen. Hun gezin is opgebroken, ze voelen zich onbegrepen of zijn misbruikt. Het basisvertrouwen is weg.”

Voor de behandelaar is het terugwinnen van dit vertrouwen stap één, stelt Verstegen. Alleen zo ontstaat een relatie waarin behandelaar en jongere in staat zijn een nieuw perspectief te creëren. Het vaststellen van een uitgebreidere diagnose, het afstemmen van de communicatie op het niveau van de jongere en veel oefenen zijn de vervolgstappen. De behandeling sluit af met een nieuw perspectief. Met de jongere moet gekeken worden naar zijn toekomst: hoe wil hij of zij het verdere leven inrichten? Welke opleiding kan hij of zij volgen?

Een leven lang werkloos zijn, is geen perspectief. Het draait dan ook niet alleen om de juiste behandeling van problematiek, maar zeker ook om het vooruitkijken, stelt Verstegen. En om het creëren van een toekomst met en voor de jongere. Volgens Verstegen is het betrekken van de ouders en omgeving van de jongere, het sociale netwerk, een vereiste voor succes tijdens en na de behandeling. “Het betrekken van de sociale omgeving van de jongere wordt als een belangrijke en werkzame factor gezien in de behandeling. Oudertrainingen en ouderbegeleiding kennen een positief effect op het verminderen van gedragsproblemen. Ook na de behandeling.”

Ervaring van een ouder

Jeffrey Visser, vader van LVB-jongere Savanna, erkent dit. Zijn dochter woont na jaren van behandeling op verschillende groepen, inmiddels weer volledig thuis. Zijn gezin krijgt nog steeds enkele uren per week gezinsbehandeling. Visser gelooft heilig in de kracht van het netwerk. In de behandeling van Savanna stelde een team van experts een behandelplan op. Maar dit deden zij niet alleen. Hierin betrokken zij de ouders, en onder meer ook de school van Savanna: “Iedereen bood input. Belangrijk, want alleen zo kregen we alle partijen op één lijn.

Dat voorkomt dat er aan allerlei kanten getrokken wordt aan ons kind.” Visser vertelt dat alle neuzen nu dezelfde kant op staan. Er is meer begrip en kennis. Vanuit eenzelfde visie werkt iedereen samen consequent en doelgericht aan het gewenste resultaat: een juiste omgangsvorm met en een goede ontwikkeling voor Savanna. Professionals zien de noodzaak om het netwerk in kaart te brengen, maar doen dit nog te weinig structureel, zegt Verstegen. Door een hoge werkdruk, afwerende ouders of de complexe vraagstukken in gezinnen, gaan professionals vaak niet snel genoeg de diepte in als ze vragen stellen over het netwerk: “Natuurlijk is het moeilijk om zicht te krijgen op het netwerk en dat te betrekken bij hulpverlening. Maar dat is zeker geen reden om die stap over te slaan.”

Vroeg signaleren

Volgens Verstegen moet de behandeling van jongeren met een licht verstandelijke beperking terug naar de kern, naar vroegsignalering. Want voorkomen is altijd beter dan genezen. Kennis in de nulde-, eerste- en tweedelijnszorg is hierin het sleutelwoord. “Professionals die werkzaam zijn in de algemene voorzieningen moeten leren om kinderen en jongeren met een licht verstandelijke beperking te herkennen. Ook moeten zij leren hoe ze goed met hen kunnen communiceren. Dit werkt preventief.” Hoe eerder een licht verstandelijke beperking herkend wordt en hoe eerder hierop ingespeeld wordt door ouders en professionals, hoe meer problemen op latere leeftijd kunnen worden voorkomen, aldus Verstegen.

Voor vroegsignalering, in onder meer de Centra voor Jeugd en Gezin, de jeugdgezondheidszorg, de voorschoolse opvang, het welzijnswerk en op school, krijgen de kinderen en jongeren met een licht verstandelijke beperking volgens Verstegen op tijd de ondersteuning die zij nodig hebben. Hierdoor kunnen zij zich optimaal ontwikkelen, hoeven zij minder gebruik te maken van zwaardere zorg en behandeling en veroorzaken zij minder maatschappelijke overlast en kosten. Het startpunt van vroegsignalering ligt bij professionals die in de wijk, op school of in de jeugdgezondheidszorg werken, zegt Verstegen.

Kennisoverdracht naar dit niveau is noodzakelijk: “Experts van de tweede- en derdelijnszorg moeten ervoor zorgen dat kennis over jongeren met een LVB beter doordringt bij professionals in de algemene voorzieningen en eerstelijnszorg. Niet om een etiket te kunnen plakken op deze jongeren, maar om hen eerder op te merken en problematiek te voorkomen.” Volgens Moonen zijn er vanuit de branche reeds diverse instrumenten ontwikkeld om deze kennis over te dragen en vroegsignalering te vereenvoudigen. De voornaamste instrumenten omvatten informatiebronnen en screeningsinstrumenten: aan de hand van informatie en korte vragenlijsten kunnen professionals hun vermoeden op een LVB testen. Is het resultaat positief dan kan dit een signaal zijn voor het inroepen van hulp of diagnostisch onderzoek. “Alleen samen, leraren, ouders en zorgprofessionals, kunnen wij werken aan een betere toekomst voor jongeren met een licht verstandelijke beperking.”