Cognitieve gedragstherapie is effectief bij het verminderen van vermoeidheidsklachten bij patiënten met Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS). Een langdurige behandeling met antibioticum, dat ook gebruikt wordt voor de behandeling van acute Q-koortsinfecties, helpt niet beter dan een placebo. Dit blijkt uit onderzoek van onder andere Stephan Keijmel en Chantal Bleeker van het Radboudumc dat is gepubliceerd in Clinical Infectious Diseases.

Ongeveer 20 procent van de patiënten met een acute Q-koortsinfectie houdt last van langdurige vermoeidheidsklachten. De oorzaak hiervan is onduidelijk, waardoor het lastig is om gericht de klachten te behandelen.

Aangezien de klachten veel lijken op die bij het chronisch vermoeidheidssyndroom, zou cognitieve gedragstherapie gericht op chronische vermoeidheid uitkomst kunnen bieden. Hiervan is bij chronisch vermoeidheidssyndroom de effectiviteit aangetoond. Daarnaast waren er aanwijzingen dat een behandeling met antibiotica de klachten kan verminderen.

Qure studie

Om dit uit te zoeken, is het Radboudumc in 2011 als eerste degelijk wetenschappelijk onderzoek naar de behandeling van Q-koortsvermoeidheidssyndroom gestart. In deze zogenaamde ‘Qure studie’ keken de onderzoekers naar de behandeling van chronische vermoeidheidsklachten bij 155 patiënten met het Q-koortsvermoeidheidssyndroom.

Een deel van de groep kreeg een behandeling met cognitieve gedragstherapie. Een ander deel kreeg een behandeling met antibioticum, dat ook gebruikt wordt bij de behandeling van acute Q-koorts, of een placebomiddel.

Resultaten

De behandeling met antibioticum verschilde niet van het placebomiddel in het verminderen van vermoeidheidsklachten. Bij ongeveer een derde van de patiënten in deze groepen namen de vermoeidheidsklachten af, wat suggereert dat een placebo-effect hier een rol speelt. Veel betere resultaten werden behaald met de cognitieve gedragstherapie. Bij meer dan de helft van de patiënten in deze groep nam de ernst van de vermoeidheid duidelijk af.

Bron: Radboudumc