Zorg in de wijk betekent zorg die zo dicht mogelijk bij de cliënt en zijn of haar omgeving georganiseerd is. Aangezien mensen ouder worden en langer thuis blijven wonen, wordt de zorgvraag thuis groter en complexer. De wijkverpleegkundige moderniseert in deze veranderende context.

Margriet van Iersel, onderwijskundige, docent en voormalig verpleegkundige, doet bij de opleiding hbo-verpleegkunde (hbo-v) aan de Hogeschool van Amsterdam promotieonderzoek naar de beeldvorming van studenten over de wijkverpleegkundige en de invloed van een nieuw curriculum op die beeldvorming. De transitie naar langdurige zorg thuis heeft grote gevolgen gehad voor het vak van wijkverpleegkundige en voor de opleiding hbo-v.

Meer verpleegkundigen de wijk in

Er zijn meer hbo-verpleegkundigen nodig voor de wijk, maar studenten hbo-v zijn nog erg gericht op het ziekenhuis. Hun keuze strookt niet met wat de arbeidsmarkt vraagt. Vaak staan hbo-v-opleidingen ook letterlijk in de nabijheid van een ziekenhuis, zoals in Amsterdam.

Het beeld van de verpleegkundige in het ziekenhuis is heel dominant, ziet Van Iersel. Daarom zijn interventies ontwikkeld om wijkverpleegkunde beter zichtbaar te maken voor studenten. Ook is landelijk een nieuw opleidingsprofiel ontwikkeld. Bij deze ontwikkeling was Ineke Voordouw van ZonMw betrokken.

ZonMw heeft initiatieven tot samenwerking tussen hogescholen en thuiszorginstellingen gesubsidieerd die moeten leiden tot meer expertise bij docenten en betere stages. Vanaf 2015 heeft de wijkverpleegkundige steeds meer taken en bevoegdheden gekregen, en moet daarom meer en andere dingen leren. ZonMw ontving signalen uit de wijkverpleging dat de hbo-v-opleidingen onvoldoende opleidden tot wijkverpleegkundigen, vertelt Voordouw.

Vertekend beeld

Van Iersel bekijkt of studenten die dit nieuwe profiel doorlopen, inderdaad een positiever beeld hebben over de wijk dan hun voorgangers. Onder studenten bestaat een hardnekkig onjuist beeld van de wijkverpleging, dat door de media versterkt wordt. “Dat het alleen maar bestaat uit insuline prikken en steunkousen aantrekken bij oude mensen.”

De groeiende complexiteit van zorg in de wijk is voor veel studenten nog te abstract. Daarom is op de opleiding in Amsterdam de afgelopen tijd flink aan de beeldvorming gewerkt. Er is een pad gecreëerd om studenten te tonen hoeveel breder het beroep in werkelijkheid is. Ook de docentenpopulatie moest mee veranderen. Die was voorheen grotendeels afkomstig uit de ziekenhuiswereld en daarmee bewust of onbewust ambassadeur van het ziekenhuis, denkt Van Iersel.

Nu is de samenstelling van het team, de lesstof en casuïstiek verbreed en minder op het ziekenhuis gefocust. Ook lopen alle studenten in het tweede jaar een dagdeel per week mee in de wijk. Die zijn vaak enthousiast over de vrijheid van wijkverpleegkundigen, de verschillende culturen die ze tegenkomen en de autonomie van het beroep.

“Die positieve ervaringen gebruiken we weer om andere studenten te enthousiasmeren.” Toch verwacht zij dat het aantal nieuwe verpleegkundigen de tekorten in de wijk niet zomaar op zullen lossen: daarvoor zijn de tekorten te groot. Bovendien blijven er vacatures bestaan in de ziekenhuizen.

Lokale netwerken

Samenwerking tussen onderwijs en regionale zorginstellingen is onmisbaar in het opleiden van nieuwe wijkverpleegkundigen, stelt Van Iersel, zodat studenten in de praktijk zien wat het beroep inhoudt. “Daar moeten studenten de juiste rolmodellen tegenkomen en moeten stageplekken met hbo-begeleiding zijn.”

Ook Voordouw benadrukt het belang van goede samenwerkingsverbanden om de kwaliteit in de wijkverpleging te verhogen. Deze bestaan al volop, maar het kan per regio verschillen hoe ze georganiseerd zijn. Zo zijn er regionale initiatieven waarbij hbo- en mbo-docenten en zorgprofessionals met elkaar meelopen en van elkaar leren.

Zorgprofessionals krijgen op die manier recente kennis uit de wetenschap mee, zorginstellingen hebben er belang bij dat er voldoende uitstroom is voor hun sector en docenten leren bij over de praktijk: een win-win-winsituatie dus. Samenwerkingen tussen praktijkorganisaties en hbo-v-opleidingen worden ‘leernetwerken’ genoemd.

“Het is erg inspirerend om docenten in de wijk te laten meelopen en wijkverpleegkundigen gastlessen te laten verzorgen bij de opleidingen.” In de regio Twente bestaat een digitaal platform waar docenten en professionals kennis delen. Op dit platform nemen honderden mensen deel, en een groeiende groep zorginstellingen.

De online community wordt twee keer per jaar aangevuld met bijeenkomsten om elkaar te ontmoeten en te netwerken. Een kanttekening, volgens Voordouw, is de geringe aandacht voor mbo-professionals en -opleidingen in dit geheel. “Hbo’ers vormen maar 10 procent van alle professionals in de wijkverpleging. Mbo-opleidingen moeten hier dus meer bij betrokken worden.”

Daarnaast vindt zij het tempo van de ontwikkelingen nog te laag liggen: het mag sneller en uitgebreider. Dan kan deze beweging werkelijk veranderingen in gang brengen. Het combineren van werk in de zorg met onderwijs zal daarbij meer gemeengoed moeten worden. Docenten die tevens in de praktijk werkzaam zijn, vormen een aanvulling voor opleidingen.

Innovatieve zorg thuis

Naast de veranderende rol van de wijkverpleegkundige, hebben technologische hulpmiddelen een belangrijk aandeel bij het optimaliseren van zorg thuis. Ze kunnen zelfredzaamheid en kwaliteit van leven van thuiswonende ouderen vergroten, zegt Ramon Daniëls, lector Ondersteunende Technologie in de Zorg aan Zuyd Hogeschool. Zelfstandigheid, veiligheid, comfort en sociale contacten kunnen ondersteund worden.

Woningaanpassingen, zoals douchezitjes, trapliften of drempelloze vloeren, kennen de meeste mensen en draaien vooral om zelfstandigheid. Daarnaast gaat de ontwikkeling van ‘nieuwe’ technologie razendsnel. Daniëls: “De mogelijkheden zijn groot: van apps voor ontspanning of geheugentraining, beeldbellen met wijkverpleegkundigen of mantelzorg, e-health en personenalarmeringen tot communicatieplatforms voor buurtcontacten.”

Met leefstijlmonitoring kunnen wijkverpleegkundigen mensen met dementie via sensoren volgen en een signaal ontvangen als van routines wordt afgeweken, als iemand valt of het slaap-waakritme verandert. Virtual reality-toepassingen kunnen mensen stimuleren meer te bewegen of bijvoorbeeld op afstand bij de bruiloft van de kleinkinderen te zijn. Dat technologie een prominente rol gaat spelen in de wijkzorg, is volgens de lector een gegeven.

Technologie wordt al gemeengoed en de volgende generatie ouderen zal ook zorgtechnologie veel makkelijker gebruiken. “Zij hebben allemaal computers en smartphones en zijn gewend om minder afhankelijk van professionals te zijn.” Toch kent bredere implementatie van zorgtechnologie nog obstakels, vooral aan financiële zijde.

Verschillende partijen kunnen voordeel hebben van technologie in huis: gemeenten, zorgverzekeraars, woningcorporaties, zorginstellingen en ouderen zelf. Maar welk businessmodel gehanteerd moet worden en wat de investering in technologie uiteindelijk gaat opleveren, is nog verre van uitgekristalliseerd. Van ouderen zelf zal meer verantwoordelijkheid gevraagd worden om preventief te investeren in levensloopbestendigheid van de woning.

“Maar zijn mensen daartoe bereid? Wil een 50- of 60-jarige die verbouwt, al nadenken over een drempelloze douche of domotica?” Het is zaak dergelijke thema’s anders te framen, stelt Daniëls. “Laat mensen denken aan de meerwaarde voor hun woning en het extra comfort dat ze terugkrijgen.”

Tot slot moet de professional overstag gaan om technologie een rol te geven in de wijkzorg en mede daarmee het vak te moderniseren. Technologie vraagt andere vaardigheden en werkwijzen en soms bestaat de angst dat banen erdoor op de tocht staan. In deze complexe context bepalen de aspecten samen welke rol technologie in de wijkverpleging zal spelen en met welke resultaten. “De belofte van technologie in de zorg thuis is er absoluut, maar er moet nog veel gebeuren om het waar te kunnen maken.”