Toen ik begon met schrijven was het niet mijn grote wens dat ik ooit ambassadeur van het Oogfonds zou worden. Hoewel mijn oma, mijn tante en mijn vader geplaagd werden door de oogziekte maculadegeneratie (MD), was het toen nog niet tot me doorgedrongen dat ik daar ook aan zou kunnen lijden.

Van mijn oma herinner ik me vooral dat ze sigaret rokend voor een van haar enorme televisieschermen zat. Op dat ene scherm keek ze, vanuit een nogal vreemde hoek, naar Nederland 1 of 2, het andere scherm was bedoeld om te lezen, met behulp van een lens waaronder ze een boek of krant kon leggen.

Mensen die maculadegeneratie hebben krijgen op latere leeftijd midden in een blikveld een wazige vlek of vervormd beeld. Hoe ouder men wordt, hoe groter en donkerder die vlek. De randen van het gezichtsveld blijven wel zichtbaar, waardoor patiënten hun blik altijd moeten richten langs het object dat ze willen bekijken. Lezen en tv-kijken zijn na verloop van tijd vaak niet meer mogelijk.

Bij mijn vader, een verstokte boekenlezer, manifesteerde de ziekte zich vanaf zijn tweeënzestigste, waarover hij aanvankelijk luchtig deed, tot ook hij niet meer kon lezen. Hoewel mijn oma, tante en vader bewonderenswaardig stoïcijns en onverschrokken bleven, heeft hun ziekte hun leven toch in grote mate beperkt. Drie jaar geleden werd ook bij mij maculadegeneratie geconstateerd en hoewel ik nog geen zichtbare verstoring van mijn blikveld ervaar, is het proces begonnen. Uiteraard baart mij dit inmiddels genoeg zorgen om af en toe ’s nachts een verloren moment wakker te liggen.

Gastbijdrage van schrijver Ronald Giphart.