Uit onderzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) blijkt dat depressieve gevoelens maar moeilijk op tafel komen. Vooral de risicogroepen – jongeren tussen de 13 en 18 jaar en vrouwen tussen de 18 en 35 jaar – zouden graag over hun depressie spreken, maar vinden het lastig om het gesprek aan te vangen. Voor familie en vrienden geldt dezelfde drempel: zij nemen niet graag het eerste woord uit angst de dierbare te kwetsen. Bovendien gaat ook de rest van de sociale omgeving het gesprek het liefst uit de weg, ondanks dat bijna iedereen de signalen van depressie zegt te herkennen. Als niemand het woord durft te nemen, hoe kunnen de klachten dan bespreekbaar worden gemaakt en hoe kan het hardnekkige stigma dat met depressie gepaard gaat worden doorbroken?

Bespreekbaar maken

De Amerikaanse organisatie National Alliance of Mental Illness (NAMI) is gespecialiseerd in het bespreekbaar maken van psychische aandoeningen en doet onderzoek naar de stigma’s waar psychiatrische patiënten mee te maken krijgen. Zo zouden patiënten vaak verantwoordelijk worden gehouden voor hun eigen stoornis en worden ze soms zelfs vermeden, geïsoleerd en uitgestoten. Ook stelt NAMI dat psychiatrische patiënten worden gezien als onvoorspelbaar, grillig en niet in staat om rationele beslissingen te nemen. Voor depressie gelden min of meer dezelfde stigma’s en dus is het niet verwonderlijk dat het praten over de aandoening al sinds jaar en dag een barrière met zich meebrengt.

Niet gedefinieerd door een aandoening

Het VWS-ministerie verwijst daarom naar een stapsgewijze aanpak om het ongemak van een eerste gesprek te verminderen. Als de familie of een vriend of vriendin de eerste stap neemt, zou bijvoorbeeld wat voorwerk uitkomst kunnen bieden. Hiermee kan de ‘ijsbreker’ voorbereid zijn op een reactie, die natuurlijk zowel positief als negatief kan uitpakken. NAMI hecht vooral waarde aan de wijze waarop het gesprek wordt ingestoken, aldus communicatiemanager Laura Greenstein: “Een persoon wordt niet gedefinieerd door een aandoening en iemand moet niet als zodanig worden aangesproken.” Iemand ervaart een depressie, maar diegene ís niet depressief, zo vindt zij. Ook benadrukt zij dat waardeoordelen in een gesprek zoveel mogelijk vermeden dienen te worden. “Heb begrip voor hetgeen je misschien niet begrijpt”, schrijft Greenstein. Het is immers makkelijk de negatieve gevoelens die verbonden zijn aan depressie te onderschatten of als aandachtvragen te beschouwen, maar dit is logischerwijs een pijnlijke en gevaarlijke denkwijze. “Wees daarom ondersteunend bij de worsteling en het herstel van andere mensen. En probeer actief te zijn bij het verspreiden van bewustzijn over de mentale gezondheid.”

Campagne

Het VWS-ministerie heeft in dat kader een actieve stap gezet en is dit jaar de campagne ‘Hey! Het is oké, maak depressie bespreekbaar!’ begonnen. Vrijwel tegelijkertijd verminderde het echter diverse subsidies voor e-health-toepassingen voor jongeren, waaronder middelen die effectief bleken als laagdrempelige en anonieme methoden om depressie te bestrijden. Het is daarom afwachten of het kabinetsbeleid zal leiden tot een toename van de bespreekbaarheid – en mogelijk een afname van het stigma – of juist een averechts effect zal hebben.