Dé jeugddelinquent bestaat niet, blijkt uit onderzoek naar de kenmerken van jongeren die in contact komen met politie en justitie. Iedere jongere heeft dan ook een behandeling op maat nodig. Ondanks de onderlinge verschillen zijn er een aantal elementen aan te wijzen waar alle jongeren baat bij hebben. Een daarvan is continuïteit van zorg. “Deze groep heeft doorgaans langere tijd hulp nodig, ook na het achttiende levensjaar”, zegt Robert Vermeiren, hoogleraar Forensische kinder- en jeugdpsychiatrie bij het VUMC.

Waarom komen jongeren in aanraking met justitie? Een eenduidig antwoord op die vraag is er niet, laat het onderzoek van Vermeiren en anderen zien. De onderzoekers bestudeerden de sterktes en zwaktes van jongeren die in detentie zitten, en ging na welke factoren ertoe hadden geleid dat ze in deze positie terechtkwamen. Dit bleek voor iedere jongere verschillend te zijn. In sommige gevallen spelen individuele kenmerken een rol, zoals impulsiviteit of slecht in staat zijn emoties van anderen in te schatten. Daarnaast kan de omgeving een factor zijn. Jongeren kunnen bijvoorbeeld beïnvloed zijn door leeftijdsgenoten, of opgroeien in een gezin waar zich problemen voordoen. Naast deze algemene studie deed Vermeirens groep ook specifiek onderzoek naar meisjes in justitiële jeugdinrichtingen, die werden gevolgd tot ze jongvolwassen waren. “We zien dat meisjes een heel ander profiel vertonen dan jongens. Bij meisjes spelen veel meer emotionele problemen. Ze hebben veel vaker te maken gehad met trauma, misbruik en mishandeling in de omgeving en de gevolgen daarvan.”

Gewetensontwikkeling

Bij een deel van de jongeren die met justitie in aanraking komt is sprake van een gebrekkige gewetensontwikkeling. Maaike Cima, hoogleraar Forensische orthopedagogiek aan de Radboud Universiteit, richt zich met haar onderzoek op deze groep. “Het geweten is een vaag begrip, en gewetensontwikkeling dus ook. Het is lastig om hier onderzoek naar te doen, omdat er geen duidelijk afgebakende definitie is.” Zelf gaat ze uit van de theorie dat het geweten een combinatie is van gedrag, cognitie (kennis over goed en kwaad en hoe iemand denkt over morele dilemma’s) en emoties als anticiperend schuldgevoel. Haar onderzoek liet zien dat zowel volwassenen als jongeren met koelbloedige psychopathische kenmerken wel degelijk kennis hebben van goed en kwaad maar dat zij morele emoties missen die hun gedrag sturen. Het blijkt dat jonge kinderen al vrij vroeg in staat te zijn om empathisch vermogen te ontwikkelen, dat hen in staat stelt zich te verplaatsen in anderen. Bij sommige kinderen gebeurt dit echter niet. Zij ontwikkelen dientengevolge koude, koelbloedige persoonlijkheidskenmerken en zijn bijvoorbeeld niet aangedaan door verdriet of angst van anderen. De oorzaken voor een gebrekkige gewetensontwikkeling zijn moeilijk te achterhalen, wat onderzoek ingewikkeld maakt. Er zijn geen standaardfactoren of ontstaanswijzen die voor iedereen gelden, licht Cima toe. “De ene jongere komt uit een gebroken gezin, is mishandeld of op jonge leeftijd uit huis geplaatst, waardoor hechtingsproblemen zijn ontstaan. Maar er zijn ook kinderen die in een stabiele omgeving opgroeien en waarbij het toch misgaat.” Niet alleen de omgeving, ook neurobiologische factoren kunnen van invloed zijn, zoals het hebben van een afwijkende stressrespons. Wanneer iemand iets doet wat niet mag of strafbaar is, geeft het lichaam normaal gesproken het stresshormoon cortisol af, waardoor diegene van het gedrag afziet. Jongeren met een verstoord stresssysteem hebben echter een lager cortisolniveau en zijn dus minder gevoelig voor straf. Hierdoor ontwikkelen ze zich gewetenlozer, wat in sommige gevallen kan resulteren in het plegen van strafbare feiten.

Aanpak op maat

Omdat de achtergrond van jongeren in een jeugdinrichting zo sterk verschilt, heeft ieder individu een aanpak op maat nodig. Wel kent elke behandeling volgens Vermeiren een aantal vaste elementen: contact maken met jongeren, ze motiveren en enthousiasmeren, en ze overtuigen van het nut om te investeren in de behandeling. Ook gedragstherapeutisch en systeemgericht werken, waarbij het gezin bij de behandeling wordt betrokken, zijn standaardelementen. Vervolgens is het van belang om het specifieke risico- en sterkteprofiel van een jongere te analyseren en de behandeling daarop in te richten. “Er zijn dus een aantal generieke elementen, maar daarnaast moet je in de specifieke context kijken wat nodig is en wat jongeren zelf willen. De therapie moet ook van hen zijn.”Na afloop van een behandeling moeten jongeren niet zomaar worden losgelaten, benadrukt Cima. “Continuïteit van zorg is cruciaal. Het idee hierachter is dat er een bepaalde doelgroep is die altijd zorg nodig heeft, ook al is de therapie afgelopen.” Jongeren blijven namelijk vatbaar voor negatieve omgevingsinvloeden. Om te voorkomen dat ze een strafbaar feit plegen, zouden ze volgens de hoogleraar zorg voor de levensloop moeten hebben. “Dat begint al in de kindertijd. Als iemand een keer in de maand langskomt kan die zien hoe het gaat, en kan er preventief worden opgetreden indien nodig.”Continuïteit van zorg is volgens Vermeiren ook belangrijk omdat in veel gevallen sprake is van intergenerationele problematiek, die van de ene op de andere generatie wordt overgedragen. Zijn onderzoek liet zien dat een substantieel deel van de meisjes die in aanraking was gekomen met justitie een eerste kind kreeg tussen het 19e tot 21e levensjaar. Ze werden dus moeder op het moment dat ze zelf nog kwetsbaar waren. Vaak hadden ze schulden en psychiatrische problemen, en hadden ze hun opleiding niet afgemaakt. “We moeten niet alleen kijken hoe we deze jonge moeders kunnen begeleiden naar zelfstandigheid, maar moeten ons ook richten op hun kinderen”, zegt Vermeiren. “Zo kunnen we vermijden dat zij eveneens in contact komen met justitie.”

Meer inzetten op preventie

Ook Cima hoopt dat in de toekomst meer kan worden ingezet op preventie, zeker op het gebied van gebrekkige gewetensontwikkeling. Koelbloedige persoonlijkheidskenmerken kunnen zich namelijk manifesteren op zeer jonge leeftijd. Voor deze kinderen is de prognose dat hoe later een behandeling wordt ingezet, hoe resistenter ze daartegen zijn. Cima: “Je moet voorkomen dat jonge kinderen zich al zo vroeg gewetenloos kunnen ontwikkelen door meer in te zetten op preventie. Als ze eenmaal bepaalde kenmerken laten zien, is het heel moeilijk om dat te veranderen.” Daarom richt ze zich met haar onderzoek in het babylab onder meer op heel jonge kinderen. Door speeksel af te nemen wordt het cortisolniveau bepaald, zodat duidelijk wordt of het stresssysteem van de kinderen normaal functioneert. Ook de opgroeisituatie wordt meegenomen. “Zo willen we nagaan of kinderen die al heel jong een laag cortisolniveau hebben al dan niet een voorkeur voor antisociaal gedrag laten zien. En of kinderen die opgroeien in een gewelddadige omgeving ook een voorkeur hebben voor antisociaal gedrag.” Daarnaast wil ze kinderen die zich al vroeg heel empathisch gedragen bestuderen, om te bekijken of daar lering uit valt te trekken om antisociaal gedrag om te buigen. Zo dragen continuïteit van zorg en preventie er hopelijk aan bij dat jongeren hun eigen weg kunnen blijven bewandelen, maar dat ze daarbij wel op het rechte pad blijven.