Na het plegen van een delict kan een dader in de strafrechtketen terechtkomen. Wanneer de misdaad samenhangt met een stoornis en/of een licht verstandelijke beperking (LVB), dient hij of zij de juiste behandeling te krijgen. Specifieke expertise en samenwerking in de keten zijn hierbij essentieel.

Daders met een licht verstandelijke beperking

Een laag IQ in combinatie met criminaliteit is een controversieel thema, stelt Robert Didden, gz-psycholoog en hoogleraar Orthopedagogiek Radboud Universiteit. “Mensen met een LVB komen vaak in het nieuws en niet zelden in combinatie met crimineel gedrag.

Als gevolg hiervan wordt snel de link gelegd tussen een laag IQ en criminaliteit.” Dit is volgens hem echter onterecht, want het overgrote deel van de mensen met een LVB komt niet in aanraking met justitie.

Het percentage van hen dat wel in de strafrechtketen komt, is onbekend, vertelt Hendrien Kaal, lector LVB en jeugdcriminaliteit van de Hogeschool Leiden. Wel is bekend dat een substantieel deel van de mensen in penitentiaire inrichtingen een LVB heeft, en dat dit percentage hoger is dan men zou verwachten, kijkende naar het aantal mensen met een LVB in Nederland.

De risicofactoren

Dit komt echter niet alleen door het lage IQ, maar vooral door bepaalde risicofactoren die vaker voorkomen bij mensen met een LVB, stellen de experts. “Belangrijke factoren zijn de (slechte) buurt waarin iemand opgroeit en de (foute) vrienden die iemand heeft”, aldus Kaal.

Deze factoren zijn niet anders dan voor mensen zonder beperking, maar kunnen mensen met beperking meer negatief beïnvloeden. Met name de impact van vrienden op crimineel gedrag is heel groot, vult Didden aan.

Mensen met een LVB hebben vaak door dat zij anders zijn en willen er graag bij horen. Als gevolg hiervan, en door hun verminderde vermogen om te snappen wat ze doen en wat de gevolgen zijn, belanden ze eerder op het verkeerde pad.

Herkenning en erkenning

Het is cruciaal dat een LVB door alle partners in de strafrechtketen als zodanig herkend wordt, stelt Kaal. Denk hierbij aan de politie die de dader oppakt, de advocaat en de rechter, maar ook aan gevangenispersoneel.

Om een herhaaldelict te kunnen voorkomen, dient de bejegening en communicatie aangepast te worden op het niveau van iemand met een LVB. Het herkennen van een LVB is ook belangrijk binnen de forensische zorg (zorg voor delinquenten met een psychiatrische stoornis of psychische problemen).

Didden: “Stel dat iemand met een laag IQ deze zorg nodig heeft, maar men weet niet dat iemand een LVB heeft. Dan kan de hulpverlening nog zo goed (bedoeld) zijn, maar toch ineffi ciënt blijken omdat de boodschap niet gesnapt wordt.” Essentieel is ook dat de dader met een LVB zijn of haar houding verandert. Didden legt uit dat forensische zorg bijna altijd voor een bepaalde tijd is, waarna het toezicht wegvalt.

Wanneer deze cliënten dan niet inzien dat begeleiding van groot belang is, zullen zij niet om hulp vragen en kunnen zij terugvallen in oude patronen. Daarom moeten mensen met een LVB en een forensisch verleden erkennen dat zij altijd een bepaalde vorm van monitoring en begeleiding nodig zullen hebben. Dit kan volgens de hoogleraar doorslaggevend zijn voor een succesvolle behandeling.

Continuïteit van zorg

Om de continuïteit van zorg voor forensische cliënten met een LVB te kunnen waarborgen, moet goed samengewerkt worden tussen de verschillende partijen in de keten, vinden beide experts. Dit is de afgelopen twintig jaar aanzienlijk verbeterd, ziet Didden, maar het kan nog beter.

Volgens hem zijn er toch nog te veel instellingen die elkaar niet kunnen vinden, doordat diagnostiek en bejegening erg kunnen verschillen. Daarnaast zijn de financieringsstromen niet altijd op elkaar afgestemd, waardoor bijvoorbeeld de zorg voor een verslaafd iemand met een LVB uit twee ‘geldpotjes’ betaald moet worden: de gehandicapten- en de verslavingszorg.

Specifieke kennis

Voor de zorg en begeleiding voor mensen met een LVB in de strafrechtketen ziet Kaal grote mogelijkheden op het gebied van kennisdeling. Ze vertelt dat de wil om deze mensen in de strafrechtketen te helpen er zeker is, maar dat het nu bij de ketenpartners nog veelal schort aan de juiste kennis.

Volgens haar moeten alle ketenpartners praktische handvatten krijgen over hoe zij mensen met een LVB kunnen herkennen en hoe zij daar rekening mee moeten houden. “Je moet hele beroepsgroepen meekrijgen en het kennisniveau van de professionals moet echt omhoog. Enkel dan kan deze groep delinquenten de juist begeleiding en zorg krijgen.” En dit is weer essentieel om de kans op herhaaldelicten te kunnen verkleinen en de veiligheid te vergroten.