Vraag de Utrechtse wethouder Victor Everhardt (D66) hoe het is om de portefeuille Jeugd te beheren en hij wijst op de instrumenten waarover gemeenten beschikken nu tal van overheidstaken op dit beleidsterrein door het rijk zijn overgedragen. Dat biedt volgens hem ruimte om op lokaal niveau het welzijn van het kind centraal te stellen. Vooral over de beter wordende samenwerking met plaatselijke organisaties en de creativiteit die daarbij vrijkomt is Everhardt, die ook voorzitter is van de commissie Jeugd van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), enthousiast. “Samen zoeken we naar oplossingen voor problemen in de wijken. Of we brengen verbeteringen aan waar dat kan”, stelt hij.

Vertrouwen en begrip

Aanvankelijk richtten gemeenten zich vooral op de transitie van de zorgtaken waar voorheen het rijk verantwoordelijk voor was, vervolgt Everhardt. Nu dat traject op orde is, ziet hij ruimte om te innoveren. Transitie betekent verantwoordelijkheid krijgen en daar mee aan de slag gaan, vindt hij. “Uiteindelijk gaat het erom dat het kind zo lang mogelijk veilig in de eigen, vertrouwde omgeving kan opgroeien.” Dat lijkt eenvoudig, maar de praktijk is gecompliceerd. Niet zo vreemd, vindt Everhardt, want alle betrokken partijen moeten elkaars bedoelingen begrijpen. Dat gaat vaak goed, maar tegelijk ziet hij dat belangen soms verschillen of tegenstrijdig zijn. Everhardt: “Denk daarbij aan gemeenten die hun zorg net anders organiseren, wettelijke kaders die kunnen schuren of verwijzers die een eigen visie hebben.” Op alle fronten spelen bovendien financiën een prominente rol. Alles loopt door elkaar en dat maakt het transitieproces complex. “Gelukkig zijn we op de goede weg. Verschillende partijen in Utrecht werken hard om eenzelfde taal te spreken. Onze buurtteams spelen daarbij een sleutelrol.” In Utrecht is Everhardt volop bezig met innovatie. Zo lopen in de wijken Leidsche Rijn en Zuilen proefprojecten waarbij specialistische jeugdhulp fysiek aanwezig is in de buurt. Specialisten werken samen met de basiszorg in de buurtteams en huisartsen. Op die manier sluit de hulp volgens hem optimaal aan bij de behoefte van kinderen en jongeren en hun ouders.

Kwaliteitskader Jeugd

Everhardt wijst ook op het Kwaliteitskader Jeugd waarin brancheorganisaties een gezamenlijke visie ontwikkelden en concreet hebben gemaakt. Belangrijkste element is dat alle partijen en professionals het belang van het kind vooropstellen en de continuïteit van zorg waarborgen, licht hij toe. Everhardt benadrukt dat het een dynamisch document betreft dat niet geldt als een bundeling van zienswijzen en theoretische benaderingen, maar juist richting geeft aan de ontwikkelingen in de jeugdzorg. Over de inspanningen van alle betrokkenpartijen is Everhardt positief, maar hij ziet ook dat er nog barricaden geslecht moeten worden. Daarbij doelt hij op de toename van administratieve druk bij de samenwerking tussen aanbieders die in diverse gemeenten actief zijn. “Buurt- of wijkteams die gezamenlijk werken aan de uitvoering van één plan betekent dat we op de goede weg zijn. Helaas hebben we de bureaucratie die daarmee gepaard gaat nog niet onder controle”, geeft hij toe.

Papieren rompslomp

Administratieve afhandeling van zorg en jeugdhulp stroomlijnen en de papieren rompslomp verminderen, kan volgens Everhardt als meer gemeenten kiezen voor eenzelfde manier waarop zij hun zorg inkopen, factureren en administratief afhandelen. “Voor gemeenten hebben we daarom binnen de VNG drie modellen ontwikkeld en die samen met de zorgsector vormgegeven. Deze helpen om het ‘jeugdzorglandschap’ in Nederland overzichtelijker te maken.” Ook is het volgens Everhardt gelukt om in Utrecht bij de inzet van buurt- en wijkteams de papierwinkel zo klein mogelijk te houden. Dat betekent geen vrijblijvendheid, benadrukt hij. “Ik wil weten of een gezin zich echt ondersteund voelt door de buurtteams. Ook stellen we daarbij voortdurend de vraag of het eenvoudiger kan.” Everhardt wijst op het ‘Festival der verantwoording’ waarin inwoners, professionals en gemeenteraad praten over de te volgen koers en de hobbels die zij moeten wegnemen. Dat leidt tot minder papierwerk en geeft een impuls aan het vertrouwen. Daardoor blijft er meer tijd over voor het werk waar het om draait: verlenen van zorg waarin het kind centraal staat.

Onderzoek naar geluk

Hoe belangrijk de eerste levensjaren zijn voor het welbevinden van mensen, stelde de Amerikaanse psychiater Robert Waldinger vast. Kinderen die zich, bijvoorbeeld op school of op de kinderopvang, geborgen voelen en voldoende aandacht krijgen, hebben volgens hem een gerede kans gelukkig te worden. Waldinger, als professor verbonden aan de Harvard Medical School, is de vierde leider van wat in de Verenigde Staten is uitgegroeid tot het langstlopende onderzoek naar geluk. Waldinger: “We volgden 75 jaar lang het leven van 724 mannen die we bestookten met vragen over werk, huiselijk leven en gezondheid. Bijna zestig zijn er nog in leven en zij nemen nog steeds deel aan het onderzoek. Nu beginnen we aan de studie van de ruim tweeduizend kinderen van deze mannen.” Duidelijkste resultaat van dit onderzoek is volgens Waldinger dat goede relaties mensen geestelijk en fysiek gezonder houden. Sociale banden zijn, ook op jonge leeftijd, belangrijk, maar eenzaamheid is dodelijk, stelt hij. Iemand met een sociaal netwerk leeft langer dan degene bij wie dat niet het geval is. “Mensen die geïsoleerder leven dan ze zelf willen, vinden zichzelf minder gelukkig, hun gezondheid verzwakt sneller tijdens hun middelbare leeftijd, hun hersenen gaan harder achteruit en ze leven minder lang dan mensen die niet eenzaam zijn”, constateert Waldinger.

Onderwijs en jeugdzorg

Zoals ook wethouder Everhardt aanstipt, spelen scholen een cruciale rol in de jeugdzorg, want op school brengt een
kind veel tijd door. Soms signaleert de leerkracht als eerste of er iets met een leerling aan de hand is. “Dat betekent dat de positie en de functie van de school veranderen”, zegt Rutger Hageraats, directeur Transformatie bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). “Niet langer is het uitsluitend een instituut waar kinderen onderwijs krijgen.” Gemeenten beseffen wel dat scholen een plek zijn om problemen te signaleren, aldus Hageraats, maar ze bieden weinig ruimte om die daar ook op te lossen. Schoolbesturen hebben op hun beurt oog voor de veranderende rol, maar zien tegelijk dat de werkdruk in het onderwijs hoog is en er voor leerkrachten nauwelijks tijd en ruimte overblijft voor andere taken. Daar heeft Hageraats begrip voor, maar hij vindt wel dat onderwijzend personeel anders tegen het vak zou kunnen aankijken. Een school is een gemeenschap, stelt hij, waar het niet alleen gaat om wat er in de klas gebeurt, maar om wat de school als geheel kan bijdragen aan het welzijn van het kind.

Onderwijs en preventie

Voorwaarde voor het slagen van de noodzakelijke veranderende rol van scholen en leerkrachten is volgens Hageraats dat professionele hulp snel en gemakkelijk beschikbaar is. “Als een onderwijzer of docent naast zijn drukke dagelijkse werkzaamheden slechts met grote moeite de juiste zorgverlener kan vinden, gaat het mis. Die tijd is er gewoon niet.” Onderwijs is eigenlijk ook een vorm van preventie, stelt Hageraats. Dat kinderen op school zitten, zich daar prettig voelen en mee kunnen doen, ook als andere dingen in het leven niet zo gemakkelijk gaan, is een essentieel onderdeel van goede zorg voor de jeugd. Gemeenten richten zich op preventie en investeren daarin, maar zouden volgens hem nadrukkelijker aandacht kunnen hebben voor het gemeenschappelijk belang. Dat strekt zich uit buiten de lokale grenzen van een stad of dorp. Net als Everhardt pleit Hageraats voor samenwerking en vermindering van de administratieve last. Als voorbeeld noemt hij de enige mytylschool in Zeeland, voor kinderen met een beperking. “De dertien gemeenten in de provincie financieren gezamenlijk de aanvullende jeugdhulp op school. Zo kan het ook.”