Een klinisch patholoog vormt een onmisbare schakel in de kankerzorg. Deze medisch specialist bestudeert bij een patiënt verwijderde cellen of weefsels en stelt op basis daarvan een diagnose. Het kan gaan om kanker maar ook om ontstekingsziekten van bijvoorbeeld de darmen.

Wat doet de klinisch patholoog?

De diagnose vormt de basis van de behandeling. Door bovendien de DNA-code in tumoren te ontcijferen, kunnen pathologen ook informatie geven over de specifieke gevoeligheid van een tumor voor een bepaald medicijn of combinatie van medicijnen, de zogenaamde targeted therapy. Dit maakt een persoonsgerichte behandeling van tumoren, ook wel personalized medicine genoemd, mogelijk.

Multidisciplinaire behandeling

Op de afdeling pathologie wordt het werk gedaan door een multidisciplinair team. Een patholoog heeft vaak een specifiek aandachtsgebied en werkt samen met andere pathologen die ieder weer een ander specialisme hebben. Daarnaast bestaat het team doorgaans ook uit klinisch moleculair biologen gespecialiseerd in de pathologie. Het weefsel wordt vooraf bewerkt en soms ook mede beoordeeld door analisten. De patholoog, en steeds vaker ook de moleculair bioloog, vormen een essentiële partner in het behandelteam van de patiënt. Binnen dat team werkt de patholoog samen met bijvoorbeeld de oncoloog, de radioloog, de radiotherapeut, de chirurg en de regieverpleegkundigen.

Targeted therapy en personalized medicine

Zeker bij targeted therapy is de rol van klinisch pathologen van groot belang. Zij kunnen tumorspecifieke veranderingen in kanker identificeren. Deze informatie kan gebruikt worden voor de classificatie van tumoren, voor doelgerichte behandeling en om het resultaat van deze behandeling te voorspellen om zo bij te dragen aan personalized medicine; een behandeling op maat. Er worden steeds meer gerichte therapieën ontwikkeld die alleen of voornamelijk werkzaam zijn bij patiënten met tumoren met specifieke genetische eigenschappen. “Personalized medicine vraagt het juiste geneesmiddel voor de juiste persoon, of beter gezegd: het juiste middel voor de juiste variant van een kwaal”, stelt prof. dr. Ron Mathijssen.

Voor het kunnen aanbieden van targeted therapy is een kleine hoeveelheid weefsel van de tumor nodig, zodat de DNA-analyse kan worden uitgevoerd. Soms worden mutaties gevonden, soms blijkt de tumor resistent geworden voor de eerder gegeven therapie en soms is sprake van een volledige nieuwe tumor. Alleen pathologieonderzoek kan aangeven welke situatie zich heeft voorgedaan en welke therapie op dat moment de beste kans biedt op succesvolle bestrijding van de tumor.

Weefsel voor diagnose en wetenschappelijk onderzoek

Met het weefsel dat bij een biopsie of operatie wordt weggenomen, wordt zorgvuldig omgegaan. Een deel ervan wordt gebruikt voor de diagnostiek, een deel wordt bewaard voor eventuele latere diagnostiek en een deel kan worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Vanzelfsprekend is de diagnostiek in eerste instantie het belangrijkst voor het kunnen bieden van de beste behandeloptie.

Maar het bewaren van weefsel voor latere diagnostiek is, zo stelt klinisch patholoog dr. Katrien Grünberg, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Pathologie en hoofd van de afdeling Pathologie van het Radboudumc, net zo belangrijk. “Als iemand een uitzaaiing krijgt of als na jaren opnieuw sprake is van een tumor dan willen wij het oude weefsel kunnen vergelijken met het nieuwe weefsel.”

De zoektocht naar markers

In het pathologieonderzoek wordt gezocht naar markers die iets zeggen over het te verwachten ziektebeloop (de prognostische markers) en het te verwachten effect van de verschillende behandelingen (de predictieve markers). Onder de predictieve markers valt ook de identificatie van te adresseren doelwitten waarop specifieke geneesmiddelen aangrijpen (targeted therapy).

Door de therapie alleen te geven aan patiënten die daar gevoelig voor zijn, voorkom je dat bij patiënten die er geen baat bij hebben onnodig bijwerkingen ontstaan. Bijkomend voordeel van deze vorm van diagnostiek is dat je voorkomt dat er geld verspild wordt.

Tenslotte, markers zijn niet alleen belangrijk voor het bepalen van de juiste therapie. Er wordt ook gewerkt aan markers die kanker in een heel vroeg stadium of al in een voorstadium kunnen detecteren.

Het Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA)

De onderzoeksresultaten van pathologie-uitslagen worden vastgelegd in het patiëntdossier en gebruikt voor de opbouw van een nationaal archief, het Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA). Dit digitale archief is opgericht in 1971 en heeft sinds 1991 landelijke dekking. “Nergens ter wereld hebben medisch specialisten de beschikking over zo’n groot en goed landelijk archief”, vertelt Grünberg. “Op elk gewenst moment kunnen artsen van een patiënt de voorgeschiedenis zien en beoordelen of sprake is van een nieuwe of een teruggekomen tumor.”

De PALGA-infrastructuur bestaat uit 52 decentrale databanken en laboratoria, een landelijke databank voor de patiëntenzorg en een landelijke databank voor wetenschappelijk onderzoek en borging en verbetering van de kwaliteit van zorg. De 52 laboratoria sturen dagelijks geautomatiseerd hun pathologie-uitslagen in naar de twee landelijke databanken waardoor deze altijd actueel zijn. Gezamenlijk zorgen de pathologielaboratoria jaarlijks voor 2,4 miljoen nieuwe uitslagen van (bevolkings)cytologie, histologie, obducties en autopsies.

Eind 2015 waren meer dan 66 miljoen pathologie-uitslagen van ruim 12 miljoen patiënten opgeslagen. Het archief is uniek in omvang en uniek in landelijke samenwerking. Het landelijke archief kan door gegevens te koppelen aan onder andere de Nationale Kanker Registratie ook worden gebruikt voor analyses en evaluaties om te bepalen hoe vaak bepaalde tumoren voorkomen en wat de sterftecijfers en de behandelresultaten zijn.

Gearchiveerd materiaal

Cel- en weefselmateriaal dat gebruikt is voor pathologisch onderzoek wordt binnen de pathologielaboratoria gedurende ten minste dertig jaar bewaard conform de richtlijnen van de beroepsgroep en volgens wettelijke bepalingen. Op basis van gearchiveerd materiaal is het mogelijk om in een later stadium niet alleen diagnoses te stellen. Het materiaal kan ook worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld als hulpmiddel bij de ontwikkeling van nieuwe therapieën en het verbeteren van de diagnostiek.

Veel waardevolle informatie

Beoordelingen van de cel- en weefselmonsters van landelijke bevolkingsonderzoeken worden, via PALGA, ook gebruikt voor landelijke evaluaties door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). Omdat alle gegevens zo gestructureerd worden aangeleverd dat deze digitaal kunnen worden verwerkt, biedt deze database een schat aan informatie. Met behulp van de data kan bijvoorbeeld worden onderzocht hoe vaak borstkanker, baarmoederhalskanker of darmkanker en de voorstadia daarvan voorkomen en hoe de bevolkingsonderzoeken bijdragen om kanker eerder te signaleren en te behandelen.