De aandacht voor palliatieve zorg, gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leven in de laatste levensfase, is de afgelopen jaren toegenomen. In Nederland zouden patiënten en naasten altijd en overal op palliatieve zorg moeten kunnen rekenen: thuis, in het ziekenhuis en in het verpleeghuis. Palliatieve zorg wordt in Nederland beschouwd als generalistische zorg die zo nodig specialistisch wordt ondersteund, vertelt Saskia Teunissen, hoogleraar Palliatieve zorg & Hospicezorg van het Expertisecentrum Palliatieve Zorg Utrecht, onderdeel van het UMC Utrecht.

De organisatie van palliatieve zorg

Dat palliatieve zorg in Nederland hoog op de agenda staat, blijkt wel uit de vele hoeken van waaruit aandacht wordt gegenereerd voor het onderwerp. “Zowel de inhoud als de organisatie van de palliatieve zorg zijn anno 2017 specifiek onderwerp van aandacht voor het ministerie van VWS, verzekeraars, kennisinstituten, vrijwilligers en professionals”, zegt Teunissen.

In 2014 is de overheid gestart met het Nationaal Programma Palliatieve Zorg (NPPZ) om de palliatieve zorg verder te ontwikkelen. Deze ontwikkeling wordt aangevoerd door acht Expertisecentra Palliatieve Zorg (EPZ) die gekoppeld zijn aan de acht Nederlandse universitaire medische centra. Daarnaast zijn er zeven samenwerkingsverbanden palliatieve zorg ingericht. Deze Consortia Palliatieve Zorg zorgen voor meer samenhang en betere samenwerking tussen huisartsen, wijkverpleging, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere partijen waardoor patiënten en naasten overal in het land op eenzelfde type palliatieve zorg kunnen rekenen.

Eerder bezig met uitvaart

Teunissen ziet dat door de toegenomen aandacht voor palliatieve zorg ook de rol van de uitvaart verandert. “Het vroegtijdig bespreekbaar maken van de palliatieve fase en daarmee het levenseinde, betekent dat patiënten en naasten – al dan niet gestimuleerd door zorgverleners en hun omgeving – eerder nadenken over hun wensen rondom de plaats van sterven en de daaropvolgende uitvaart.”

Dat terminaal zieken in een vroeger stadium bezig zijn met hun uitvaart ondervindt ook Paul Koeslag, onafhankelijk voorzitter van de Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaartondernemingen (BGNU). Mensen die in een hospice verblijven zijn meer bezig met hun ziekte en met de dood, vertelt hij. Het geeft terminale patiënten rust als ze van tevoren zaken kunnen regelen. Koeslag merkt vooral in hospices, maar ook in verpleeghuizen een toename van dergelijke voorregelingen, waarbij mensen bij leven hun uitvaart plannen, al dan niet met hulp van familie en naasten.

Uitvaart en ondernemen

Volgens Koeslag komt bovengenoemde verandering voort uit het feit dat het taboe rondom de dood langzaam minder wordt. Het taboe is echter nog steeds aanwezig als het gaat om de combinatie van uitvaart en ondernemen, weet hij. Verdienen aan dood of ziekte is iets waar veel mensen moeite mee hebben. Kan een uitvaartondernemer visitekaartjes achterlaten of brochures neerleggen? Koeslag verwacht dat de meeste mensen daar problemen mee zullen hebben.

“Waar de bakker of de autofabrikant reclame kan maken, ligt dat altijd wat gevoeliger bij uitvaartondernemingen”, zegt hij. Veel uitvaartondernemingen onderhouden wel goede relaties met hospices. Zo geven ze met

enige regelmaat trainingen aan de in een hospice werkzame vrijwilligers, waarbij ze hen leren hoe de laatste verzorging bij het overlijden in zijn werk gaat. Veel vrijwilligers hebben een band opgebouwd met de overledene en vinden het daarom waardevol dit te leren.

Over het algemeen proberen uitvaartondernemingen volgens Koeslag echter altijd zo discreet mogelijk een rol op de achtergrond te vervullen en de wensen de familie en de overledene te honoreren. Zij zijn slechts een middel in het realiseren van deze wensen en stellen zich ook als zodanig op. “Een uitvaart kun je maar een keer doen. Dat betekent dat de uitvoering ervan heel nauw luistert.”