Veel jongeren in Nederland hebben te maken met zieke naasten, zoals een zieke ouder, broer of zus, of vriend. Onder hen is een groep die deze zorg combineert met het volgen van een studie. Er is weinig bekend over deze groep studenten, wie zij zijn en welke gevolgen de combinatie van studie en mantelzorg kan hebben. Het factsheet “Gezondheid- en studieuitkomsten bij mantelzorgende studenten” dat vandaag verschijnt besteedt aandacht aan deze groep jongeren en geeft inzicht in de mogelijke gevolgen op het gebied van gezondheid en studie.

6% biedt hulp aan zieke naaste

In 2015/2016 geeft ongeveer 6% van de studenten van de UvA en HvA in Amsterdam aan hulp te bieden aan een zieke naaste, zoals een familielid, partner, vriend of kennis met een lichamelijke en/of psychische ziekte of gezondheidsbeperking. Deze hulp wordt ook wel ‘mantelzorg’ genoemd. Sommige groepen studenten zijn sterker vertegenwoordigd onder de studerende mantelzorgers dan anderen: vrouwen, personen met een niet-westerse migratieachtergrond, thuiswonende studenten en studenten die een zorg gerelateerde studie volgen. Het is niet bekend aan wie precies studenten deze hulp geven, of hoe intensief en langdurig de hulp is.

Gevolgen voor eigen gezondheid en studie

Wel is duidelijk dat bij studenten het geven van mantelzorg een risicofactor vormt voor negatieve gezondheids- en studie uitkomsten. Het hebben van een mantelzorgtaak bij studenten hangt samen met een slechtere lichamelijke en psychische gezondheid, en dan in het bijzonder met meer angst- en depressiviteitklachten. Ook vonden we dat mantelzorgende studenten ten opzichte van studenten zonder mantelzorgtaken gemiddeld een lager gemiddeld studiecijfer, en een lager studietempo rapporteren (vergeleken met hun niet-mantelzorgende studiegenoten).

Vanuit de resultaten valt op te maken dat er meer aandacht uit moet gaan naar studenten die hun studie combineren met een mantelzorgtaak. Het geven van mantelzorg vergroot het risico op negatieve studie- en gezondheidsuitkomsten; dit kan wijzen op de een hoge belasting. In vervolgonderzoek kan worden achterhaald of mantelzorgende studenten ook vaker dan gemiddeld overspannenheid of zelfs een burn-out ervaren. Het kan dan (te) laat zijn om in te grijpen, omdat dan al mogelijk schade is opgetreden.

Het lijkt dan ook gewenst om de groep mantelzorgende studenten die (nog) geen studievertraging of gezondheidsproblemen ondervinden mogelijkheden te bieden voor ondersteuning of versterking van de draagkracht. Eerder onderzoek laat zien dat mantelzorgende studenten vaak zelf ideeën hebben over de ondersteuning waar zij behoefte aan hebben zoals ondersteuning bij studietaken, waaronder versoepeling van aanwezigheidsplicht en deadlines (Stolk, 2017).

Bewustwording

Daarnaast is het van belang om deze bijzondere groep studenten tijdig te signaleren en hen te informeren over extra ondersteuningsmogelijkheden. Dit kan gedaan worden door onderwijsinstellingen, maar ook gemeenten, zorgorganisaties of huisartsen (die vaak al betrokken zijn bij de zorgsituatie van de studenten). Maar ook studenten zelf kunnen tijdig aan de bel trekken en om ondersteuning vragen. Uit kwalitatief onderzoek onder studenten blijkt dat toegankelijke en passende hulp nodig is maar nog niet overal aanwezig is (Stolk, 2017). Om hiervoor te kunnen zorgen is het wenselijk dat bijvoorbeeld decanen en studieadviseurs binnen onderwijsinstellingen zich bewust zijn van het bestaan en omvang van deze groep studenten, de risico’s die zij lopen en van mogelijke signalen van overbelasting. Op verschillende moment tijdens de studie (bij de start, rondom het bsa en daarna) informeren zij studenten nu al over beschikbare ondersteuning; daarbij zouden ze expliciet kunnen aangeven dat mantelzorgende studenten ook ondersteuning kunnen krijgen. Dit kan een eerste stap zijn om vanuit de onderwijsinstelling mogelijke problemen van mantelzorgende studenten aan te pakken voordat deze te groot worden om te overzien.

Bron: SCP, VU en UVA