Voor veel mensen is het heel vanzelfsprekend; reizen met de trein, naar een vrijdagmiddagborrel gaan of even snel iets bekijken op een website. Toch is er een grote groep Nederlanders voor wie dit helemaal niet zo normaal of zelfs maar mogelijk is, simpelweg omdat men met een rolstoel niet de trein of het café in kan, of omdat men door slechtziendheid de pagina’s van een website niet kan lezen.

En dit is kwalijk, want het niet mee kunnen doen in de maatschappij gaat vaak gepaard met eenzaamheid en een lagere kwaliteit van leven, vertelt Hennie Boeije, programmaleider Zorgvraag van mensen met een chronische ziekte of beperking bij het NIVEL. “Meer dan eens gaat het hierbij om mensen die wel mee willen doen, maar dit niet kunnen, doordat de maatschappij dit niet toelaat.”

Toegankelijke samenleving

Lange tijd werd hier weinig aan gedaan, maar met de komst van het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een beperking, staat het toegankelijk maken van de maatschappij volop in de aandacht. En dat is maar goed ook, zegt Otwin van Dijk, burgemeester van Oude IJsselstreek en oud-Tweede Kamerlid voor de Partij van de Arbeid. Van Dijk, zelf rolstoelgebruiker, heeft naar aanleiding van het VN-verdrag een voorstel ingediend om de Nederlandse samenleving meer toegankelijk te maken voor mensen met een beperking.

De noodzaak voor het ratificeren van het verdrag, dat sinds 14 juli 2016 ook in Nederland geldt, was volgens hem duidelijk aanwezig, want “zonder toegankelijkheid geen inclusie.” Tineke Meulenkamp, onderzoeker participatiemonitor bij NIVEL, vult aan: “Bij het VN- verdrag staan bewustwording en zelfbeschikking centraal. Mensen moeten de kans krijgen om mee te doen in het leven. Het leven moet ook voor hen toegankelijk zijn.” Van Dijk vertelt dat Nederland wat dat betreft echt achterloopt vergeleken met bijvoorbeeld de VS. Daar is in 1990 al een wet rondom toegankelijkheid aangenomen en daar zijn alle parken, musea, het ov en alle overheidswebsites toegankelijk voor iedereen.

Boeije legt uit dat een inclusieve samenleving draait om gelijkheid, en dat men niet direct naar aparte regelingen moet kijken, aangezien op die manier mensen juist worden afgezonderd. Pas wanneer de reguliere opties echt niet mogelijk zijn, moet men gaan kijken naar voorzieningen op individueel niveau. Als voorbeeld noemt zij enquêtes die door mensen met een taalstoornis niet in te vullen zijn. Door voor hen geen alternatief te verzinnen, zou hun stem niet gehoord kunnen worden. Om deze mensen toch te betrekken, zou men bijvoorbeeld kunnen kiezen voor door de computer voorgelezen lijsten met vragen.

Deelnemen aan de arbeidsmarkt

Het kunnen uitvoeren van werk is een belangrijk onderdeel van een inclusieve samenleving, en daar valt nog veel in te winnen. Volgens cijfers van het College voor de Rechten van de Mens en NIVEL heeft bijvoorbeeld slechts 44 procent van de mensen met een lichamelijke beperking betaald werk. Ieder mens heeft mooie talenten, vertellen Boeije en Meulenkamp, en het is daarom zonde als hier geen gebruik van wordt gemaakt, helemaal omdat blijkt dat van de mensen die nu niet werken, 25 procent dat wel heel graag wil. Maar, zo stelt Van Dijk, dan moet het wel mogelijk zijn om het werk uit te voeren. En dat linkt weer terug naar de toegankelijkheid.

Als je het ov niet kunt nemen om naar je werk te gaan, of je kunt het gebouw niet in omdat er geen lift is, dan wordt werk uitvoeren erg lastig. Van Dijk geeft aan dat een inclusieve maatschappij alleen mogelijk is als de samenleving zich hier voor inzet. Dat begint bij passend onderwijs, en moet voortgezet worden met trainingen en talentontwikkeling om mensen met een beperking klaar te stomen voor een baan. Er moet goed gekeken worden naar de talenten die mensen hebben, en daar moet op worden doorgeborduurd. En wanneer een volledige baan niet mogelijk is, kan er ook gekeken worden naar een deeltijdbaan of vrijwilligerswerk.

Meulenkamp voegt toe: “Het rondbrengen van koffie voor gasten of een maatje zijn voor mensen met beperkingen kan veel zingeving geven.” Om het participeren op de arbeidsmarkt een impuls te geven, zijn in Nederland wetten aangenomen om het bedrijfsleven te stimuleren om mensen met een beperking in dienst te nemen. Ondanks dat een quotum als negatief kan worden ervaren, werkt het wel, benadrukt Van Dijk. “Je ziet nu al dat een clubje van bedrijven, waaronder overheidsorganisaties, hier actief mee bezig gaat. Het maakt bedrijven ‘los’ om inclusiever te worden.” Het zijn de bedrijven die nu het voortouw nemen die als ambassadeur voor de participatiesamenleving kunnen dienen. Met als uiteindelijke doel dat ondernemers ook daadwerkelijk de wens hebben om mensen met een beperking te betrekken binnen hun organisatie, juist omdat deze mensen uniek zijn en veel toe te voegen hebben.

Een inclusieve toekomst?

Toch ontstaat een inclusieve samenleving niet enkel door initiatieven om toegankelijkheid en participatie te vergroten. Hiervoor is ook empowerment van mensen met een beperking nodig, vindt Van Dijk. Zij moeten volgens hem, waar kan, zelf aangeven waar ze behoefte aan hebben en hoe deze behoefte waargemaakt kan worden. Om deze behoeften te onderzoeken, brengt het NIVEL sinds 2008 tweejaarlijks de participatiemonitor uit.

Voor deze monitor wordt gekeken naar wat mensen feitelijk doen, maar ook naar wat ze zouden willen en kunnen, en vooral ook naar wat zij hiervoor nodig hebben. Boeije: “Dit zetten we af tegen de rest van de bevolking om te beoordelen hoe groot de participatie is.” Uit de participatiemonitor blijkt dat ondanks dat de participatie op verschillende fronten wel toegenomen is sinds 2008, er nog steeds behoefte is om meer te participeren, vertelt Meulenkamp. Het creëren van een maatschappij waarin iedereen mee mag doen, draait ook om het bewustzijn dat iedereen ‘normaal’ is.

Van Dijk is optimistisch als hij kijkt naar de toekomst; wat de VS heeft gedaan, kan hier ook. Binnen tien jaar voorziet hij een veel inclusievere samenleving, waarbinnen mensen met een beperking deel kunnen nemen in het ov, op school en op de arbeidsmarkt. “Het moet straks normaal kunnen zijn dat een burgemeester in een rolstoel zit. Het is een laatste segregatiehobbel, een laatste emancipatiehobbel, die we moeten nemen.”