De behandeling van kanker kan ingrijpende gevolgen hebben voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van een patiënt. De monitoring van een kankerpatiënt tijdens en na het behandelingstraject is vaak echter onvoldoende voor zorgspecialisten om adequaat op deze klachten te kunnen reageren, laat staan te anticiperen.

Zo toont onderzoeksinstituut NIVEL aan dat kankerpatiënten de interpersoonlijke informatievoorziening voor verbetering vatbaar achten, bijvoorbeeld als zij kampen met plotseling opkomende angsten of bijwerkingen. In ander onderzoek uit 2018 – een gezamenlijk initiatief van tientallen kankerpatiëntenorganisaties – stellen de schrijvers dat veel patiënten de mogelijkheid missen voor laagdrempelig contact voor emotionele en praktische ondersteuning. “We roepen de ziekenhuizen op om alle kankerpatiënten een gespecialiseerd verpleegkundige als vast aanspreekpunt te bieden, die laagdrempelig en proactief steun, informatie en begeleiding geeft, ook na de behandeling”, schrijven de onderzoekers.

Vaste contactmomenten

Internist-oncoloog Mathijs Hendriks van de Noordwest Ziekenhuisgroep herkent het probleem. Hij legt uit dat de kankerzorg momenteel is ingericht aan de hand van vaste contactmomenten met een patiënt. Zo worden controles ingepland door middel van medische richtlijnen en worden behandelingen eens in de zoveel tijd met de casemanager of verpleegkundig specialist geëvalueerd. Dit is precies de essentie van het probleem, vertelt Hendriks. “Als een patiënt chemotherapie ondergaat, wordt voorafgaand aan een nieuwe behandelingsronde de vorige doorgesproken. Maar daar zit soms een aantal weken tussen. Niet alle bijwerkingen worden door de patiënt onthouden en gemeld.”

Hierdoor komt de effectiviteit van de behandeling in het geding, stelt Hendriks. Want als een patiënt niet goed reageert op de therapie, komt dit vaak pas later aan het licht; áls dit überhaupt al aan de oppervlakte komt. Die vertraging kan vervelende gevolgen hebben. “Een patiënt zou diarree kunnen hebben, maar niet goed weten wanneer hij of zij daar melding van moet maken. Besluit diegene het een dag of vier aan te kijken, dan kan die afwachtende houding leiden tot een ziekenhuisopname”, aldus Hendriks. Niet alleen zorgt dit bij de patiënt voor veel ongemak, het brengt potentieel ook het verdere verloop van de behandeling in gevaar. Een matige lichamelijke conditie is immers ongunstig voor de therapie en daarmee het herstel. Bovendien brengen onder- of overbehandeling onnodige zorgkosten met zich mee, doordat het kan leiden tot extra ziekenhuisopnamen of ineffectief medicijngebruik.

Van reactief naar proactief

Hendriks stelt dat contact via iets toegankelijks en alledaags als een smartphone de levenskwaliteit van een patiënt aanzienlijk kan verbeteren. “Door middel van een smartphoneapp kan real time gemonitord worden hoe een patiënt zich voelt. Meldt diegene een probleem, dan kan een ziekenhuis hier snel en adequaat op reageren. Zo verandert de medische benadering van reactief naar proactief.” Het welzijn van een patiënt kan op deze wijze op de voet worden gevolgd door een gespecialiseerd verpleegkundige of ander zorgpersoneel, maar dit hoeft niet te leiden tot een hogere werkdruk. Via de app kunnen klachten immers vroegtijdig in de kiem worden gesmoord, door het aanspreekpunt te laten adviseren over medicijngebruik of voeding. Dat kan een intensievere behandeling in een later stadium voorkomen.

Die patiënteducatie is cruciaal, schrijven ook de onderzoekers namens de kankerpatiëntenorganisaties. “Mensen die kanker hebben geven aan dat het heel belangrijk is om informatie te krijgen over hulp of ondersteuning bij het omgaan met de ziekte, behandeling en de gevolgen daarvan. Echter, dertig procent heeft deze informatie niet ontvangen.” Hendriks ziet ook op dat vlak een rol weggelegd voor een app. Die kan immers gerichte informatie delen op momenten dat het ertoe doet. “Verschillende ziekenhuizen ontwikkelen momenteel dit soort e-health-toepassingen, maar er moet nog een hoop gebeuren”, sluit Hendriks af.