De implementatie van zorginnovaties heeft een zetje nodig. Ondanks meer dan genoeg innovatief vermogen in de Nederlandse zorgsector, lijkt een digitale doorbraak vooralsnog uit te blijven. Dit herkent ook Dianda Veldman, directeur van de Patiëntenfederatie Nederland. Volgens haar zit het ‘m vooral in het feit dat ontwikkelingen zich tot lokaal of regionaal niveau beperken. Een constatering die Gelle Klein Ikkink, programmadirecteur Innovatie en Zorgvernieuwing bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) eveneens doet.

Opschaling

“Het grootste sleutelwoord aangaande e-health is opschaling”, legt Klein Ikkink uit. Om dit mogelijk te maken zijn twee ingrediënten benodigd. Ten eerste vruchtbare grond; standaarden voor informatie-uitwisseling, ontsluiting van patiëntgegevens, privacy-waarborging, medicatieveiligheid en authenticatie bij gebruik van toepassingen. Dit zijn allen aspecten binnen het zorglandschap die lastig van de grond te krijgen zijn, omdat vanuit alle hoeken eigen oplossingen worden aangedragen.

Ten tweede is een groeizaam klimaat benodigd. Dit houdt in dat partijen bij elkaar gebracht worden en tezamen kennis wordt uitgewisseld. Van beroepsbeoefenaars wordt hierbij gevraagd om verder te denken dan de grenzen van hun eigen zorgdomein en echt de samenwerking met andere zorgdomeinen aan te gaan. In sommige gevallen houdt dat wellicht in dat het nodig is om een stuk omzet in te leveren, uiteraard afgezet tegen andere beloningen.

Op welke wijze kan de overheid hierin een stimulerende factor zijn?

Klein Ikkink: “Via ondergrondse wegen is een taak weggelegd voor het informatieberaad, een bestuurlijke samenwerking tussen partijen uit het zorgveld en het ministerie van VWS. Het doel hiervan is de juiste informatie op het juiste moment op de juiste plek krijgen, om zorg en ondersteuning aan cliënten en patiënten met de gewenste hoge kwaliteit te kunnen leveren.”

Boven de grond zijn er meerdere initiatieven om samenwerking te stimuleren. Opmerkelijk is dat juist hierin de regio steeds vaker een belangrijkere rol speelt. Co-creatie is van belang. Oftewel samenwerking tussen grote regionale partijen (zorgaanbieders, producenten, ontwikkelaars) die de ontwikkeling van zorginnovaties ondersteunen en dit op landelijk niveau trachten op te schalen.

Patients Included innoveren

Ambities zijn er genoeg, zegt Veldman. In samenwerking met andere voorlopers die e-health een warm hart toedragen heeft de Patiëntenfederatie Nederland zich ten doel gesteld om twee zorginnovaties op te schalen in de komende twee jaar. Belangrijk hierbij is dat deze moeten voldoen aan het zogeheten Triple Aim-principe. “E-health moet in eerste instantie iets opleveren voor patiënten, zoals ziekte tegengaan of tijdsbesparing door snellere verbindingen tussen de zorgtakken. Daarnaast moet de zorg gelijkwaardig blijven, medisch gezien verantwoord zijn en maatschappelijk gezien betaalbaar zijn”, aldus Veldman.

Het hogere doel is om een online gezondheidsomgeving te creëren die is afgesteld op de gebruiker, waarin alle medische gegevens bij elkaar staan. Hierdoor krijgt de patiënt of cliënt meer regie over de eigen zorg. Denk aan zaken als wie toegang heeft tot patiëntgegevens, maar bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om meerdere toepassingen te integreren. Klein Ikkink: “Er wordt nu hard gewerkt aan zo’n persoonlijke gezondheidsomgeving en de verwachting is dat deze volgend jaar operationeel is.”

Als deze basis er eenmaal ligt kunnen andere grootschalige e-healthtoepassingen ontwikkeld en gebruikt worden. Zowel Klein Ikkink als Veldman benadrukken dat patiënten in de beginfase betrokken worden in de ontwikkeling. Dankzij dit zogeheten Patients Included innoveren kunnen de kenmerken van specifieke doelgroepen in kaart worden gebracht en komen burgers in een vroeg stadium in aanraking met zorginnovaties.

Door de patiënt centraal te stellen wordt een stuk onbekendheid weggenomen over de verschillende e-healthmogelijkheden. En dit geldt niet alleen voor hen, maar ook voor de zorgprofessionals. Het is van belang dat zij van elkaar weten wat er allemaal mogelijk is en dat de angst om e-health goed te kunnen organiseren wegvalt. Volgens Veldman kan deze educatie in combinatie met een beloning bij inzet van goede toepassingen, de urgentie verhogen om met e-health aan de slag te gaan.

Succes in e-health tot nog toe

Zijn er voorbeelden van e-healthtoepassingen die succesvol zijn gebleken en waarvan men kan leren? Het antwoord hierop is ja. In de somatische zorg zijn zelfmonitoring bij chronische aandoeningen zoals COPD en risicomanagement bij hartfalen positieve ontwikkelingen. Voor beiden geldt dat patiënten in staat worden gesteld om zelf hun waarden bij te houden. Bij exacerbaties (plotselinge verergering van ziekte) is het mogelijk om eerst een e-consult te plegen.

Klein Ikkink: “Van oudsher is de geestelijke gezondheidszorg (ggz) een voorloper met e-mental health. Uit gegevens komt duidelijk naar voren dat vrijwel elke praktijkondersteuner momenteel bezig is met e-health.” Dit helpt onder meer in het kader van vroegsignalering bij psychische aandoeningen.

Het succes van e-health is wel sterk afhankelijk van de usability, ofwel gebruiksvriendelijkheid. Op dit vlak ligt de keuze bij gebruikers, zowel aan de vraag-als aanbodzijde, om te beslissen wat goed voor hen werkt. De beoordeling hiervan is mogelijk door in een afsprakenstelsel vast te leggen aan welke voorwaarden alle geautomatiseerde systemen moeten voldoen. De garantie van een dergelijk keurmerk is dat toepassingen veilig en geïntegreerd zijn met andere systemen. Met als uitkomst directe toegang tot e-healthtoepassingen zonder digitale versnippering.

Dit artikel is verschenen in het magazine Mijn Gezondheidsgids – editie 2.