In de gezondheidszorg is het aanbod aan apps en andere digitale tools enorm. Toch staat e-health in de gemiddelde huisartsen- of fysiopraktijk nog in de kinderschoenen. Volgens Ilse Swinkels, onderzoeker bij het Nederlands instituut voor onderzoek in de gezondheidszorg (NIVEL), is het tijd om een stap terug te doen: niet beginnen bij de technologie maar bij de vraag wat de patiënt wil. Als het gaat om e-health in de zorg is er nog een wereld te winnen. Níet als het gaat om wat er allemaal kán, want de mogelijkheden zijn eindeloos: bloeddruk, hartslag en suikerspiegel meten, pijn registreren, beeldbellen met de praktijkondersteuner, online geholpen worden om te stoppen met roken en gezamenlijk een logboek bijhouden. Maar het stokt als het gaat om daadwerkelijk invoeren van deze techniek. “We moeten daarom een stap terug doen samen, eerst kijken naar wat de patiënt en de zorgverlener echt nodig heeft en wil gebruiken.”

E-health gecompliceerd als een puzzel

De implementatie van e-health is ‘een puzzel met veel stukjes’. Swinkels vertelt over eLabEL: een driejarig project in een tiental gezondheidscentra waarin met gespecialiseerde bedrijven wordt geprobeerd e-health in de praktijken ook écht van meerwaarde te laten zijn. De cliënten loggen in in een digitale omgeving met apps die voor hen bruikbaar zijn. Ze kunnen beeldbellen, linken naar video’s met fysio-oefeningen, ondersteund worden bij afvallen of verslag doen in een zorgschrift. Het resultaat is tot nu toe redelijk teleurstellend. Dat komt volgens Swinkels door verschillende factoren. “Er zijn patiënten die positief staan tegenover e-health. Ze voelen zich gesterkt door de technologie en hebben er zin in maar er is ook een grote groep die er geen vertrouwen of zin in heeft.” Dat geldt ook voor professionals. De ene is helemaal into e-health en wil er eigen tijd in investeren, de ander zit niet op de veranderingen te wachten. Organisaties kunnen zich beter instellen op e-health door ambassadeurs aan te stellen en scholingen te organiseren. In de vorige maand gepresenteerde e-healthmonitor constateren het NIVEL en het expertisecentrum Nictiz verder dat zorgverleners steeds meer e-health-toepassingen aanbieden, maar dat het gebruik door patiënten nog niet echt groeit. Om dit te doorbreken is een maatschappelijke innovatie nodig waarbij de uitdagingen op alle facetten aangepakt worden, aldus Swinkels.

GGZ en verslavingszorg

Odile Smeets werkt voor het Trimbos instituut, dat onderzoek doet en kennis verspreidt over geestelijke gezondheid, mentale veerkracht en verslaving. Als het om e-health gaat loopt de ggz en verslavingszorg relatief voorop. Op ziekten als verslaving en depressie rust vaak nog een taboe. De stap naar een hulpverlener is best groot waardoor online-behandeling aantrekkelijk kan zijn. De afgelopen jaren zijn veel online-behandelingen ontwikkeld op thema’s als angst, depressie, stemmen horen of verslavingsproblemen. Veel programma’s zijn onderzocht en bewezen effectief en helpen in het verminderen van klachten. Huisartsen kunnen ze hun patiënten ook gratis aanbieden door een speciale financiering vanuit de overheid, dit gebeurt steeds meer. Doordat veel programma’s nu ook op de smartphone met video en audio aangeboden kunnen worden, zijn ze ook bruikbaar voor mensen met een lagere opleiding.

Koppeling van systemen is de uitdaging

Grote uitdaging blijft de koppeling van systemen en de ‘taal’ die in Nederland gebruikt wordt als het gaat om dataverwerking. Internationaal geldt HL7-FHIR als standaard. Swinkels wijst naar de overheid om die taal ook in Nederland als standaard op te leggen.