Het cochleair implantaat maakt een snelle ontwikkeling door, voornamelijk als gevolg van voortschrijdende technologie. Tegelijkertijd blijkt het hulpmiddel ook te helpen bij bepaalde gevallen van tinnitus. Tijd om contact te zoeken met prof. dr. Leo De Raeve, directeur van Onici.

Ieder land kent wel een eigen vereniging rondom cochleair implantatie. “In Nederland bijvoorbeeld OPCI, het Onafhankelijk Platform Cochleaire Implantatie. Dit is een overkoepelend orgaan voor mensen die kinderen met een cochleair implantaat hebben, en volwassenen met een cochleair implantaat. De nationale platforms zijn weer Europees verenigd in EURO-CIU, zodat in heel Europa meer dan 100.000 mensen met een cochleair implantaat vertegenwoordigd zijn”, vertelt De Raeve. Eén van de speerpunten in het beleid van Onici (Onafhankelijk Informatiecentrum over Cochleaire Implantatie )is het vergaren en delen van kennis rondom de impact die het verlies van gehoor op de kwaliteit van leven heeft. Hoofddoel is om zo onafhankelijk mogelijk correcte, objectieve en up-to-date informatie te geven rond cochleaire implantatie, vooral voor de regio’s Vlaanderen en Nederland.

’t Kofschip niet meer horen

“Simpel gezegd kom je voor een cochleair implantaat in aanmerking als je met je hoorapparaat minder dan de helft van de spraakklanken nog verstaat. Wat het eerste verdwijnt als je minder gaat horen zijn meestal de hoge medeklinkers, zoals die van het ezelsbruggetje ’t Kofschip. Als je uiteindelijk alleen nog klinkers hoort, wordt het de hoogste tijd om alarm te slaan.” Het grote probleem bij gehoorverlies is dat één op de drie mensen met dit probleem er niets aan doet. Studies hebben dit uitgewezen. Het gehoorverlies wordt bijvoorbeeld gecamoufleerd, door het vermijden van situaties waar het gehoor een belangrijke rol speelt. Zo iemand gaat bijvoorbeeld niet meer naar groepsbijeenkomsten, maar blijft liever thuis. “Je gaat langzaam afhaken bij sociale activiteiten en in eerste instantie niet eens bewust. En toch: hoe langer je er mee wacht, hoe moeilijker het wordt om de situatie om te buigen”, stelt De Raeve. Met name door het sociale afhaken loopt iemand met gehoorverlies een vijf keer grotere kans op het ontwikkelen van dementie, doordat de hersenactiviteit sterk verminderd wordt. En tweeënhalve keer grotere kans op een depressie. Dit is gebleken uit grote internationale studies.

Inzet middelen pas over 10 jaar effect

Kort gezegd: we weten veel en er zijn prima technologische mogelijkheden om gehoorverlies tegen te gaan, maar het wordt weinig gebruikt. Volgens De Raeve komt dat vooral omdat het om een langetermijnvisie vraagt. “Anders dan hoe de politiek denkt. De inzet van middelen om gehoorverlies tegen te gaan heeft pas over tien jaar zichtbaar effect.” Positief is dat de gezondheidszorg op dit gebied in Vlaanderen en Nederland voor kinderen wél goed is geregeld. Van heel jonge kinderen is al bekend of het gehoor wel of niet goed werkt en worden adequate maatregelen genomen. Kinderen die gebaat zouden zijn bij een cochleair implantaat, hebben in 90% van de gevallen inderdaad zo’n hulpmiddel. Bij volwassenen ligt dat compleet anders. Daar is nauwelijks 10% van de gevallen daadwerkelijk met een cochleair implantaat uitgerust. “In Nederland zijn mensen zich wel iets meer bewust van de mogelijkheden in vergelijking met België, maar daarentegen kennen de universitaire ziekenhuizen in Nederland ellenlange wachtlijsten. Geselecteerde volwassenen moeten in Nederland één à twee jaar wachten”, vertelt De Raeve. Een schril contrast met de gedachte dat een snelle behandeling het negatieve effect op de hersenen minimaliseert. En dan is er nog een grote groep mensen die ‘afhaakt’ en zich niet verder laat behandelen.

Vrij routine-ingreep

Iedereen die alleen nog maar klinkers hoort, komt in aanmerking voor een cochleair implantaat, maar bij 10 procent van deze gevallen is er een medische afwijking in het gehoor waardoor een cochleair implantaat niet mogelijk is. Dat kan bijvoorbeeld een tumor of afwijking aan de gehoorzenuw zijn. Het plaatsen van een cochleair implantaat is op zich een vrij simpele ingreep en kan meestal in twee dagen ziekenhuisopname. Uitzonderlijk gebeurt het zelfs in dagopname. Als een cochleair implantaat niet mogelijk is, kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een hersenstamimplantaat, maar die ingreep is uiteraard veel ingrijpender en het resultaat is minder dan met een cochleair implantaat.

Alles gaat nu sneller en preciezer

De Raeve formuleert voorzichtig dat een oudere generatie KNO-artsen en audiologen niet altijd bekend is met de huidige technologie. “Dan worden mensen die alleen nog klinkers horen niet verder verwezen voor een cochleair implantaat. Of misschien blijven audiologen die hoorapparaten verkopen te lang proberen om een dergelijk apparaat te verkopen. Maar bewustwording is de eerste stap. Van het effect dat gehoorverlies kan hebben en van de technologische mogelijkheden die we vandaag de dag hebben.” De grote technologische ontwikkelingen van het laatste decennium zijn vergelijkbaar met de ontwikkeling van de computer. Een cochleair implantaat was twintig jaar geleden nog een enorm apparaat, met een werking die een stuk minder was dan tegenwoordig. “Het klonk als Mickey Mouse en de klank liep niet altijd synchroon met het bewegen van de lippen. Dat is nu voorbij. Alles gaat sneller en preciezer. En de technologie heeft geleid tot verkleining van het apparaat.” Een cochleair implantaat heeft aan de buitenzijde van het oor nog slechts een klein onderdeel achter het oor, of zelfs alleen een magneetspoeltje. En als het ‘probleem’ van de batterij en microfoon verder wordt opgelost, kan een cochleair zelfs compleet inwendig geplaatst worden.

De Raeve verwacht dat dat binnen tien jaar het geval zal zijn. Nu al lopen mensen rond met proefexemplaren van volledig geïmplanteerde apparaten. Afgezien van de ontwikkelende technologie is het zaak om de wachtlijsten weg te werken en het bewustzijn te vergroten. Ook de kennis rondom revalidatie – opnieuw leren horen en het goed afstellen van het implantaat – neemt verder toe. Ook daarvoor is professionele begeleiding nodig.

Tinnitus, een fantoomgeluid

Al tien jaar geleden startte KNO-arts prof. dr. Van de Heyning van het universitair ziekenhuis in Antwerpen een onderzoek naar de betekenis van een cochleair implantaat voor mensen die leiden aan tinnitus, oorsuizen. Hier werd met name gekeken naar mensen die plotseling doof waren geworden, in relatie tot tinnitus. Uit het onderzoek blijkt tinnitus vaak een reactie te zijn van de hersenen op het minder binnenkrijgen van auditieve informatie. Bij mensen die plotseling doof worden, kan het gebeuren dat de hersenen ter compensatie van het ontbreken van geluid zélf geluid gaan produceren. De persoon in kwestie hoort zo geluid, ondanks dat er geen geluid is. “Een fantoomgeluid, zeg maar”, schetst De Raeve. “Je hersenen kunnen er niet tegen dat er geen geluid is. Dit geldt voor een aantal vormen van tinnitus, bijvoorbeeld als gevolg van de ziekte van Menière.”

Deze ziekte kenmerkt zich door duizeligheid, evenwichtsstoornissen en oorsuizen. Daar komen vaak klachten als een barstende hoofdpijn en overgeven bij. Aan de hand van medicatie kan wat terrein worden teruggewonnen, maar toch gaat het gehoor meestal langzaam achteruit. In het onderzoek van Van de Heyning werd een aantal mensen met Menière en tinnitus met een cochleair implantaat geholpen. Deze mensen kregen dus weer geluid aangeboden, waardoor het oorsuizen een stuk minder werd. Als ze het implantaat uitzetten, bijvoorbeeld voor het slapen gaan, kwamen de klachten terug, maar niet zo hevig als voorheen. Zodoende slapen sommige van deze mensen met een cochleair implantaat. “Let wel: niet iedereen met gehoorverlies en tinnitus is hiermee geholpen, want het ontstaan van tinnitus kan verschillende oorzaken hebben. Maar voor sommige patiënten kan dit een oplossing zijn.”