Normaal gesproken maakt een menselijk hart ongeveer één slag per seconde. Dat gebeurt met vaste regelmaat: daarvoor zorgt de sinusknoop, onze natuurlijke pacemaker. Bij boezemfibrilleren (letterlijk: het trillen van de hartboezem, ook wel atriumfibrilleren genoemd) is sprake van een hartritmestoornis waarbij de hartboezems op hol slaan en tot wel 300 slagen per minuut maken. Cardioloog Crijns geeft antwoord op 7 vragen over boezemfibrilleren.

1. Wat zijn de symptomen van boezemfibrilleren?

Naar schatting hebben in Nederland 300.000 mensen te maken met boezemfibrilleren. Dat maakt het tot de meest voorkomende hartritmestoornis. Sommige mensen ervaren hartkloppingen, pijn in de borst, worden kortademig of krijgen last van duizeligheid. Een deel van de mensen merkt echter niks. Dat kan zeer gevaarlijk zijn. Wanneer de stoornis langer dan twee dagen aanhoudt, gaat het bloed namelijk trager stromen en bestaat het gevaar dat er bloedstolsel (trombose) ontstaat in de linkerboezem – en wel in het zogenaamde hartoortje.

“Dat stolsel kan losraken en met de bloedstroom worden meegevoerd”, waarschuwt Crijns. “Wanneer het stolsel in de aorta komt, kan het vandaar uit doorschieten naar het hoofd. Daar kan het vervolgens vastraken, zodat er geen bloed meer in een deel van de hersens komt. En dat veroorzaakt een beroerte.”

2. Wat zijn de risicofactoren?

De risicogroep verkeert vaak al in het medische circuit vanwege een hoge bloeddruk, diabetes, hartfalen of een hartinfarct – belangrijke risicofactoren voor boezemfibrilleren. Het gevaar van beroerte bij atriumfibrilleren ligt vooral bij mensen die een hoge bloeddruk hebben, maar daar (nog) geen actie op ondernemen. Een andere risicofactor is ouderdom. Ook het geslacht blijkt van invloed, vrouwen hebben een hogere kans op beroerte dan mannen. Het is vooralsnog niet precies duidelijk waaróm dit zo is, maar het is wel duidelijk dát het zo is.

3. Wanneer is het tijd om de huisarts in te schakelen?

Mensen die de klachten herkennen, doen er goed aan zich direct te melden bij de huisarts. Deze zal onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van een hartritmestoornis en wat daarvan de oorzaak is. “Is dat een hoge bloeddruk, dan zal de huisarts deze rigoureus gaan behandelen”, weet Crijns. “Een hoge bloeddruk kan overigens een erfelijke component hebben: het kan in je familie zitten. Daarnaast zal hij inschatten wat het risico op een beroerte is. Zijn er één of twee risicofactoren en houdt het boezemfibrilleren al langer dan twee dagen aan, dan zal hij besluiten tot ontstollen.”

4. Wat gebeurt er bij het ontstollen?

Ontstollen is de benaming voor het verlagen van de stolbaarheid van het bloed via medicijnen, in de volksmond bloedverdunners genoemd. Deze medicijnen gaan de werking van vitamine K tegen, dat belangrijk is voor de bloedstolling. Vitamine K zit onder meer in groene bladgroenten en fruit. Het voordeel van dit ‘paardenmiddel’, zoals Crijns het noemt, is dat dunner bloed minder snel kan stollen en dat zo stolselvorming wordt voorkomen. Dat het bloed dunner wordt, is onder meer te merken aan het feit dat wondjes langer blijven bloeden en er gemakkelijker blauwe plekken ontstaan.

Het probleem is echter dat het bloed niet alleen dunner wordt op de plek waar dat gewenst is, maar door het hele lichaam. Hierdoor kunnen gemakkelijker bloedingen, zoals een maagbloeding, ontstaan. De kans op een dergelijke bloeding is in dit geval echter altijd kleiner dan de kans op een beroerte, wat de inzet van deze medicijnen rechtvaardigt.

Wanneer mensen problemen krijgen door het ontstollen kan worden besloten om het eerdergenoemde hart-oortje af te sluiten met een plaatje, een zogenaamde ‘occluder’. Deze wordt aangebracht met behulp van een katheter via de lies. Met deze ingreep wordt het probleem niet per definitie helemaal ondervangen, aangezien zich ook ergens anders in de bloedstroom stolsels kunnen vormen.

5. Wat is het effect van een behandeling met electroshocks?

Het ontstollen richt zich op het voorkomen van de gevolgen van het boezemfibrilleren. Zou het niet veel beter zijn om het boezemfibrilleren zélf weg te halen? “Interessante vraag”, antwoordt Crijns. “Dat kan inderdaad, met behulp van electroshocks via de borstwand zoals je dat op van die ziekenhuisseries wel ziet. Met deze shocks wordt een seintje gegeven aan de hartspiercel waardoor deze even stopt om daarna weer opnieuw te gaan kloppen. Je ‘reset’ in feite de sinusknoop. Helaas keert bij liefst 50 procent van de patiënten na deze behandeling de ritmestoornis binnen een maand weer terug.” Ander feit is dat onderzoek heeft uitgewezen dat door het ‘wegshocken’ van de ritmestoornis het risico op een beroerte niet minder wordt.

Crijns zet de methode daarom uitsluitend in wanneer hij denkt dat het een effect op langere duur zal hebben. Bijvoorbeeld bij jonge mensen zonder hoge bloeddruk of met een kleinere linker hartboezem. Een andere optie is om de ritmestoornis te behandelen met medicijnen, al dan niet als complementaire behandeling naast de shocktherapie.

6. Wat gebeurt er bij ablatie?

Nog een andere manier om de ritmestoornis uit te schakelen is via ablatie. Het principe achter deze behandeling is het gegeven dat littekenweefsel geen elektrische prikkels geleidt, dus ook niet de stroom die door het hart gaat en het hart activeert. Bij ablatie spoort de cardioloog via een katheter de plek in het hart op waar de storing ontstaat (vaak bij de longaders). Het topje van de katheter wordt verwarmd tot 60° Celsius en daarmee wordt óf een litteken gebrand op de stoorzender zélf, óf in een cirkel om de plek heen. Ablatie via bevriezing kan overigens ook, dit heet cryoablatie.

“Een ontwikkeling bij ablatie is de zogenaamde hybride ablatie”, vertelt Crijns. “Daarbij staan
de hartchirurg en de cardioloog samen aan de operatietafel. Via zijn instrumenten kan de chirurg de cardioloog wijzen waar hij moet zijn om boezemfibrilleren uit te schakelen. En via de katheter kan de cardioloog controleren hoe effectief de chirurg bezig is. Zo kan nog nauwkeuriger worden gewerkt voor een optimaler resultaat.”

7. Hoe kan boezemfibrilleren voorkomen worden?

Zoals voor zoveel ziekten en aandoeningen geldt ook bij boezemfibrilleren dat gezond leven de beste manier is om het te voorkomen. Iemand in de risicogroep doet er goed aan om dagelijks voldoende te bewegen en om niet te roken. Gezonde voeding om vaatziekte
te voorkomen is ook van belang: vis, groenten en fruit.

Bij sommige mensen lokt alcohol de ritmestoornis uit. Dan is het raadzaam alcohol te vermijden. In sporadische gevallen lokken bepaalde voedingsstoffen of voedingsmiddelen het atriumfibrilleren uit, waaronder middelen die tyramine bevatten. Die stof zit onder meer in kaas, brood dat gebakken is met droge gist, rode wijn, yoghurt, ananas, walnoten, aubergine, ketjap en nog negentig andere voedingsmiddelen. In dat geval is het uiteraard zinvol om deze niet te nemen.